Выбрать главу

Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals gewoonlijk het eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en noemde het Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella's zoon. De rivier gaf hij den naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg.

Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin eenig vischtuig lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels van palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van deze hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart hebben, rijk. De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen en wind. Zilvergras bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren hadden ze niet noodig. Zij behoefden de handen maar uit te steken om van de zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier schonk hun allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben.

Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van beschaving, dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat er in was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval, dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met het scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme rivier op. Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen.

"Cuba", schreef hij in zijn dagboek, "is het schoonste eiland, dat ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen." Terwijl men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige tropische boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote menigte werden aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het voorkomen van een paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der rivier, maar de inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot zagen. De huizen, schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot dus ver had gezien. Er waren in die dorpen geen regelmatige straten, maar de huizen lagen schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren netjes van palmbladeren gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder zindelijk en ordelijk uit.

Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de reis langs de kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog maar in de meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte de eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend of hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad kon ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan was. Maar toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had, en geen einde aan het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij reeds het vasteland van Indië bereikt had.

Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte, dicht met palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf. Men denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is, waaraan men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft.

Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te komen, om over de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat Cuba geen eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij, nu bij het vasteland van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de taal van de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten Noorden, een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige dagen zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende, dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug, en ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los Maries noemde.

Het was nu de 1e November. Op den oever stonden eenige huizen, en lager nog zag men een boschje van cacao-en palmboomen. Toen de zon opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen van schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om met de beangstigde lieden, die aan 't strand stonden, een gesprek aan te knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador waren, zond Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen van hunne vreedzame bedoelingen te overtuigen.

Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te beroepen waren, richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen, dat zij zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging geheel weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk, luisterden naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week, en er nog vóór het vallen van den avond zestien kano's vol inboorlingen om de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze verkoopen wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet het kleinste gouden sieraad was te zien. Slechts één man droeg een klein gesmeed stukje zilver aan den neus.

Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote stad, waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die twee afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee mannen heetten Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was een bekeerde jood, die tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch verstond. Columbus achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de Oostersche vorst ten minste een van die talen sprak.

Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee. Een van deze kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de oevers van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden voorzien ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen, om die den vorst te vereeren. Ook kregen ze een brief mee, waarin de wensch van den koning en de koningin van Spanje was uitgedrukt, om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen in 't Oosten aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke te doen, om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners. Zes dagen mochten zij voor de reis gebruiken.

Terwijl Columbus de terugkomst van het gezantschap afwachtte, was hij druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden, om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en roeide zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een steilen oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe ver hij ook keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen, die welig in het wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs zocht hij naar die planten, welke in drogisterijen en apotheken in Europa zoo hoog geschat worden. Soms kwam hij in aanraking met inboorlingen, liet hun dan paarlen en goud zien en vroeg, waar hij zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden, die hij in woorden of door gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer bijster. Zij schenen te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één oog hadden; anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters waren, de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen.

Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen goud kreeg, toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur om hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen op zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een appel, in de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch heel lekker en werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een onmisbaar voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De ontdekking van den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken van grooter waarde voor de menschen te zijn dan het vinden van een berg goud zou zijn geweest.

полную версию книги