Выбрать главу

Hij verzocht het Bestuur der stad om hulp voor een onderneming, welke men algemeen niet alleen noodlottig noemde, maar waarvan de geleerden te Lissabon reeds gezegd hadden, dat ze geen aandacht waard was.

"En wie is die Christophorus Columbus?" werd gevraagd. "Wel, hij is een zeeman uit onze stad", was het antwoord; "de zoon van Dominico Colombo, een wolkammer. Hij heeft twee broers en een zuster, die hier in nederige omstandigheden verblijf houden."

Dit maakte aan de zaak bij het trotsche Genueesche hof een einde. Het verzoek van Columbus werd met verachting afgewezen. Hij kon niet eens een gepast gehoor krijgen. Nu was hij wel arm, en alleen de hoop en een aangeboren geestkracht moesten hem staande houden. Eindelijk besloot hij, na nog vele plannen overdacht te hebben, zijn geluk aan het Spaansche hof te beproeven.

Hij nam zijn zoon Diego mee, scheepte zich te Genua in, en landde na een korte vaart te Palos, een kleine Spaansche zeehaven aan den mond van de Tinto. Ferdinand en Isabella waren toen juist in een oorlog gewikkeld met de Mooren. Beiden bevonden zich toen met hun leger te Cordova, bijna honderd mijlen ten noord-oosten van Palos. Daar al hun krachtsinspanning voor het voeren van den oorlog noodig was, mocht het oogenblik ongunstig heeten hen te willen overhalen tot een onderneming, die veel geld moest kosten, en daarenboven twijfelachtig was.

Met een lichte beurs en een bezwaard gemoed begaf Columbus zich op weg, om de vele mijlen af te leggen, die hem van de koninklijke legerplaats scheidden. Hij was bleek, mager en het was hem aan te zien, dat zorg hem had verteerd. Zijn kleeren waren kaal. Koffers en valiezen behoefde hij niet mee te sjouwen; alleen droeg hij een klein pakje aan zijn zijde. De kleine Diego liep aan zijns vaders hand mee.

Zij waren nog maar anderhalve mijl van het dorp Palos af, toen zij bij een hecht steenen klooster kwamen. Diego had honger en dorst, en daarom ging de vader in het klooster, om een beker water en een snede brood voor zijn kind te vragen.

Heel toevallig kwam de prior van het klooster op dat oogenblik aan de deur. Het beleefd verzoek, de waardige houding en de verstandige trekken van den vreemdeling maakten diepen indruk op hem. Hij noodigde Columbus uit binnen te gaan, knoopte een gesprek met hem aan, en stelde niet slechts groot belang in de nieuwe plannen, die hij te berde bracht, maar werd door de kracht zijner redeneering volkomen overtuigd, dat er waarheid in lag. Hij hield Columbus eenige dagen bij zich, verleende hem al de gastvrijheid, die het klooster schenken kon, en noodigde hem uit, om met hem een arts uit de buurt op te zoeken, die in wetenschap uitblonk.

Columbus, de prior en de dokter brachten in de cellen van het stille klooster La Rabida vele uren door met de vraag of de aarde een bol of een plat vlak was, en of het, door steeds westwaarts te zeilen, mogelijk zou zijn het vasteland van Azië te bereiken, dat ver weg in het Oosten lag.

De prior van het klooster was een geleerd man en had grooten invloed aan het hof, daar hij, zooals dat in die dagen veelal het geval was, een hoogen rang bekleedde. Hij toonde zulk een levendige belangstelling in Columbus en zijn onderneming, dat hij hem overhaalde zijn zoon Diego in het klooster ter opvoeding achter te laten, en gaf hem brieven van aanbeveling mede voor den biechtvader van koningin Isabella.

Door dit bezoek en door alles, wat voor zijn kind gedaan was, zette Columbus de reis naar Cordova vroolijk en opgeruimd van geest voort.

Het militair vertoon, dat Columbus in het kamp te Cordova zag, was verbazingwekkend. De luister van het hof van Castilië en die van het hof van Arragon waren er vereenigd. De geheele ridderschap van Spanje was op dat groote veld bijeen, en prachtig uitgedost met schitterende wapenrusting en prachtig gevolg. De tenten stonden in de rondte, en 't was of men een groote stad zag. Blinkende wapens en wuivende pluimen zag men overal, terwijl de muziek van de militaire troepen de lucht vervulde.

Maar al deze pracht was niets voor Columbus in vergelijking met de plannen, waarvan zijn geest vol was. Hij gaf zijn brief aan Fernando Talavera, den kapelaan van de koningin. Talavera was een trotsch prelaat, koel en onspraakzaam. Ternauwernood ontving hij Columbus beleefd, luisterde met blijkbaren weerzin naar het verhaal van het plan, dat hij kwam voorstellen, en liet hem gaan met de woorden:

"Mij dunkt, dat het zeer indringend zou zijn thans, nu hare majesteit door al de zorgen voor dezen veldtocht gedrukt wordt, met een plan bij haar te komen, dat in de lucht hangt."

De verschijning van Columbus was alles behalve indrukwekkend. Zijn kleeren zagen er armoedig en kaal uit, en hij was door teleurstelling terneergeslagen. Maar het gerucht zijner plannen ging als een loopend vuurtje door het kamp. De hovelingen wezen spottend met den vinger naar den kalen avonturier als een, die onmetelijke rijken bezat met millioenen inwoners, die hij aan de koningen van Spanje ten geschenke wilde geven.

Columbus wist niet, wat hij doen of waar hij gaan moest. Hij bleef te Cordova talmen, terwijl het Spaansche leger optrok, om de laatste schuilplaats van de Mooren in de provincie Granada aan te tasten. Hij hield zich overtuigd, dat de overwinning de koninklijke banieren volgen zou, en dat er dan misschien gelegenheid zou zijn, om met zijn verzoek voor den dag te komen. In den herfst keerden Ferdinand en Isabella in triomf terug. Zij vestigden hun hof voor den winter te Salamanca, bijna 300 mijlen van Cordova. In dien tusschentijd vond Columbus, die geen gehoor bij de koningin kon krijgen, een sober bestaan in het teekenen van landkaarten en plans.

De tooneelen, die toen te Cordova en in zijn omstreken voorvielen, hadden de beroemdste mannen uit alle deelen van Spanje derwaarts gelokt. Dit bood Columbus de gelegenheid aan, om met de geleerdste mannen in aanraking te komen. Schrandere personen ontvingen een diepen indruk van de waardigheid waarmee hij zich gedroeg, van de diepte zijner overtuiging, van zijn uitgebreide kennis en de boeiende welsprekendheid, waarmede hij zijne meeningen bepleitte. Soms had hij het genoegen den bijval van den een of ander te verwerven.

Een verstandig en vermogend heer begon zooveel belang in Columbus te stellen, dat hij hem uitnoodigde ten zijnent te komen en zijn gast te zijn. Deze heer stelde hem aan den nuncius van den paus, Antonio Geraldini, en aan andere heeren voor, die in den staat of aan 't hof hooge betrekkingen bekleedden.

Terwijl hij zoo in nutteloos oponthoud zijn tijd te Cordova zoek bracht, verbond hij zich met een dame dier plaats. Zij heette Beatrix Enriquez en was van adel, maar niet rijk. Zij werd de moeder van zijn tweeden zoon, Fernando, die in het volgende jaar, 1487, geboren werd, en die, na zijn dood, zijn levensgeschiedenis schreef.

Columbus volgde het hof naar Salamanca. Hier werd hij aan den aartsbisschop van Toledo voorgesteld, den grootkardinaal van Spanje. Deze beroemde kerkvorst had zooveel invloed bij den koning en de koningin, dat men hem den derden koning noemde. Meer en meer werd hij zoo overtuigd van de kracht der bewijzen, waarmee Columbus zijn plannen verdedigde, dat hij er in toestemde hem in de koninklijke tegenwoordigheid te brengen.

Het eerst werd hij waarschijnlijk bij Ferdinand toegelaten. De koninklijke luister kon Columbus niet van zijn stuk brengen, en met groote welsprekendheid beval hij zijn zaak aan. De koning was een sluw, scherpzinnig man, dien men niet gemakkelijk onder den invloed van romantische droomen brengen kon. Hij luisterde met wijsgeerige koelheid naar den opgewonden pleiter.

De eerzucht van den koning werd krachtig geprikkeld door het denkbeeld van de grootheid, die Spanje's deel zou worden, wanneer men in het doen van ontdekkingen en in het verkrijgen van aanzienlijke winsten slaagde. Dan zou Spanje een overwicht over alle volken hebben. Maar Ferdinand was zeer angstvallig en traag in 't besluiten. Hij riep een Raad van de geleerdste mannen uit Spanje bijeen, om een onderhoud met Columbus te hebben, zijn plannen aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en hem verslag van hun bevinding te doen.