Vledder wuifde verontschuldigend.
‘Jij zei toch tegen mij dat ik wat informaties over haar moest inwinnen.’
‘Ja. En?’
‘Dat heb ik gedaan. Martha Verhagen is nog nooit met de politie of justitie in aanraking geweest. Ze komt in onze administratie totaal niet voor. Om toch enigszins geïnformeerd te raken, heb ik haar impresario, Peter van Dongen, gebeld.’
‘En die omschreef haar als… een lieve, warme persoonlijkheid?’ Vledder reageerde wat terughoudend.
‘Dat… eh, dat zei hij. Volgens hem was Martha Verhagen de ziel van het variétégroepje. Niet dat haar prestaties op de bühne zo imponerend waren, maar door haar houding, haar beminnelijkheid, hield ze de mensen bij elkaar. Ze slechtte geschillen, fungeerde als postillon d’amour… kortom, alles draaide om Vlindertje.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Wist Peter van Dongen dat Martha Verhagen zo werd genoemd?’
Vledder lachte. ‘Martha Verhagen stond zelfs als Vlindertje op de theateraffiches. Niemand noemde Martha ooit bij haar eigen naam. Peter van Dongen kende die naam door de contracten die hij als impresario met haar had afgesloten. Maar de mensen van het groepje noemden haar gewoon “Vlin” of voluit “Vlindertje”.’ De Cock staarde nadenkend voor zich uit. ‘En dat alles alleen vanwege haar dansnummer met een paar plastic vleugeltjes op haar rug, zwevend aan een koord over de bühne.’ In zijn stem trilde een zweem van ongeloof.
Vledder zuchtte.
‘Ik heb de impresario ernaar gevraagd; volgens hem heeft ze nooit een ander nummer gehad.’
De Cock hield zijn hoofd wat scheef.
‘Affaires, verhoudingen?’
‘De jonge rechercheur trok zijn schouders op.
‘Daar kon Peter van Dongen mij niets over zeggen. Persoonlijk had hij er nooit iets van gemerkt.’
‘Haar verleden?’
‘Nogal schimmig. In het groepje werd gefluisterd dat ze in haar jonge jaren aan het conservatorium in Amsterdam viool heeft gestudeerd.’
‘Viool?’
Vledder knikte.
‘Ik kan dat uiteraard bij het conservatorium nagaan. Zo ver ben ik nog niet gekomen. Volgens haar eigen zeggen verdiende ze met de viool het zout in de pap niet. Daarom nam ze danslessen. Min of meer bij toeval kwam ze bij het variétégroepje terecht.’ ‘Wie introduceerde haar?’
Vledder keek op. ‘Fantinelli.’
10
De Cock en Vledder liepen vanaf de Warmoesstraat door de drie stegen naar de Geldersekade. Het was opvallend stil in de nauwe sloppen van de binnenstad. Alleen op de hoek van de Zeedijk en de Waterpoortsteeg stonden, op enige afstand van elkaar, kleine groepjes heroïnehandelaren. Ze kwetterden met elkaar in een snel takkie-takkie. Toen de beide rechercheurs hen voorbij gingen, viel er even een stilte. Achter hun rug leefde het gekwetter weer op. In de pandjes aan de smalle Geldersekade kwam de prostitutie langzaam op gang.
De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. Het was kwart over elf. Hij hoopte dat Freekie van Wezel al aan het ontbijt zat. Hij kende het wereldje van de gokpenoze. Ze gingen diep in de nacht naar bed en stonden in de regel niet voor het middaguur op.
Bij de Schreierstoren bleef de grijze speurder staan en keek door de spijlen van het hoge ijzeren hek naar het houten vlondertje. Het was nu al bijna drie dagen geleden dat daar boven het drabbige grachtenwater het lijk van Pierrot lag. Sindsdien was hij met zijn onderzoek niet veel verder gekomen. De moordenaar en zijn motief lagen nog achter mistige sluiers.
Hij tuurde de omgeving af en bedacht langs welke waterwegen de Geldersekade was te bereiken. In verband met de werkzaamheden aan de metrolijn, was dat lange tijd erg beperkt geweest. Nu lag alles weer open. Voor hij doorliep, wierp hij nog een laatste blik op het vlondertje. Aan de zijkant dobberden een paar gebruikte condooms. Een slordig hoertje had in de gracht het emmertje van haar peeskamer geleegd.
Ze slenterden om de Schreierstoren naar de Prins Hendrikkade en vandaar naar de brede zijde van de Geldersekade. Bij een zware eiken deur met een getralied luik op ooghoogte bleef De Cock staan en belde, lang en dringend. Het duurde ruim een minuut. Toen werd het luik geopend en verscheen achter de tralies een nors mannengezicht. De Cock herkende een van de portiers van het gokhuis en grijnsde vriendelijk. ‘Ken je mij?’ De man bromde. ‘De Cock… van de Warmoesstraat.’ De ogen van de grijze speurder lichtten op. ‘Heel goed. Doe de deur open. Ik wil Freekie spreken.’
De man maakte een hoofdbeweging. ‘Freekie slaapt nog.’ ‘Dan maak je hem wakker.’
De man aarzelde.
‘Waar gaat het over?’
De Cock liet de grijns van zijn gezicht vallen.
‘Moord,’ zei hij strak.
De man achter de tralies trok een vies gezicht.
‘Moord?’ herhaalde hij verrast.
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Zeg dat maar tegen Freekie. En zeg hem ook dat ik niet van plan ben om voor deze deur weg te gaan, voor ik hem heb gesproken.’ De man deed het luik zorgvuldig dicht en De Cock keek op zijn horloge. Na ruim vijf minuten werd de deur geopend. Dezelfde man, die de grijze speurder te woord had gestaan, ging de beide rechercheurs voor door een lange, brede, met wit marmer beklede gang. Aan het einde van de gang liep een houten trap met fraai bewerkte spijlen in een halve draai omhoog naar de eerste verdieping. Naast een met donker leer gecapitonneerde deur zonder kruk, drukte de man op een klein paneel. De deur sprong klikkend open. De man keek De Cock van terzijde glimlachend aan. ‘We hebben sinds kort de tent hier totaal beveiligd. Als ik beneden een schakelaar omzet, komt er geen hond meer in of uit.’ De Cock keek hem aan.
‘Was het nodig?’ vroeg hij onnozel. Hij wist, dat er tussen de gokbazen van de binnenstad een concurrentiestrijd was losgebarsten en dat men over en weer knokploegen vormde om het interieur van elkaars speelpaleizen wat bij te schaven. Van dergelijke kapitale vernielingen werd bij de politie nooit aangifte gedaan. Men zinde eenvoudig op wraak.
Zonder op de vraag van De Cock te reageren, bracht de man de beide rechercheurs naar een ruim hoog vertrek met een tiental diepe leren fauteuils.
‘Als u hier even wilt plaatsnemen… Freekie is bezig zich te wassen.’
Het duurde niet lang. Toen kwam vanuit een zijdeur een bonkig gebouwde man. Hij had een grof, breed gezicht met een platte boksersneus. Op zijn reeds kalende schedel glansde dun vlasblond haar. Hij droeg een paarszijden ochtendjas. Een sjaal bolde onder zijn forse kin.
Met grote stappen liep hij op de grijze speurder toe en drukte hem de hand. De aanwezigheid van Vledder negeerde hij volkomen. Met een ruk trok hij een fauteuil bij, stak een sigaret op en ging tegenover de rechercheur zitten. Nadat hij met zichtbaar genoegen een wolk rook naar de zoldering had geblazen, sprak hij met spot in zijn stem: ‘Moord, De Cock?’
De Cock grijnsde.
‘Hoe noem je het, als je heel doelbewust iemand geniepig zeventien centimeter staal tussen zijn ribben duwt?’
Freekie van Wezel tikte met zijn middelvinger op zijn brede borst. ‘En… eh, dat moet ik gedaan hebben?’
De Cock strekte zijn hand naar de hoge ramen. ‘Hier dichtbij. Aan de overkant van het water, op het houten vlondertje van de Schreierstoren, lag een dode Pierrot. Omdat iemand mij heeft ingefluisterd dat hij bij jou nogal wat speelschulden had…’ Hij glimlachte een tikkeltje vals, ‘…en ik weet op welk een… eh, indringende manier jij de mensen tot betalen maant…’ Hij maakte zijn zin niet af, maar boog zich iets naar voren.