‘Waarheen?’
‘Naar de begrafenis van Pierrot. Ik ben benieuwd wie er na zijn dood nog belangstelling voor hem heeft.’
‘En… eh, wat doe ik in de tussentijd?’
De Cock wees naar zijn bureau. ‘Ik heb vanmorgen met de rijkspolitie te water gebeld. Ze hebben inderdaad een speedboot gevonden die ze niet kunnen thuisbrengen. Ze hebben het ding uit het Westelijk Havengebied naar de Westerdokskade[3] gesleept. Bekijk die boot eens goed. Ik denk dat daarmee het lijk van Pierrot is vervoerd.’
‘Van zijn woonboot aan de Binnenkant.’
‘Vanwaar?"
Denk je dat hij daar is vermoord?’ vroeg Vledder verrast. De Cock knikte traag. ‘Dat denk ik, ja. Ik neem niet aan dat er na de uitgebreide zoekactie van het snuitertje nog bruikbare sporen te vinden waren, maar vraag voor alle zekerheid nog even aan de TOHD of hun onderzoek nog iets heeft opgeleverd.’ ‘Dat zal ik doen. Wanneer kom je terug?’
Met een droeve grijns zei De Cock: ‘Na mijn laatste saluut aan de clown.’
Een ragfijne, kille, miezerige regen gleed onhoorbaar uit een laag, grauw wolkendek. Het leek alsof de hemel zich voorgoed van Amsterdam had afgewend en uit pure weerzin tegen haar aanblik de stad met een dikke, natte deken had afgedekt. De Cock trok de kraag van zijn regenjas met beide handen omhoog en duwde zijn hoedje verder naar voren. In zijn typische slenterpas schuifelde hij over het grind van de oude begraafplaats. Het water droop van zijn gezicht. Hij vroeg zich af of er iemand zou zijn. Toen hij scheef en onhandig de politiewagen tussen een parkeerafbakening tot stilstand bracht, had hij geen andere wagens gezien. Het verbaasde hem en in stilte hoopte hij dat er ook anderen waren om Pierrot naar zijn laatste rustplaats te begeleiden. Hij had de clown in leven niet gekend. De enige herinnering die hij aan hem had, was een in de dood verstard gezicht. De begraafplaats zag er triest en verlaten uit. De bloemen kleurden niet en zelfs de vogels hielden zich schuil. Gebogen slenterde De Cock verder. Toen hij opkeek, zag hij in de verte een vrouw. Ze stond eenzaam en alleen onder een afdakje vande aula. Het beeld kaatste in zijn herinnering. Het was niet de eerste keer dat hij zich in een dergelijk decor bewoog. Toen hij naderbij kwam, gleed er een glimlach van herkenning om zijn lippen. ‘Charlotte… ik ben blij dat ik je zie.’ Het klonk oprecht. Ze wees om zich heen en glimlachte triest. ‘Ik had ook meer opkomst verwacht. Het is zijn laatste optreden.’
Een grote lijkwagen reed met oneerbiedige snelheid de begraafplaats op. Bij de aula remde de wagen. De wielen knarsten in het grind. Er stapte een man uit in een zwart uniform en liep op een holletje naar hen toe. ‘Komt u voor de heer Eickelenbosch?’ Ze knikten beiden.
‘Oh,’ zei de man. Hij was zichtbaar teleurgesteld. ‘U kunt ons volgen.’ Hij rende door de regen naar de wagen terug. Stapvoets reed hij de auto verder de begraafplaats op. Charlotte en De Cock volgden. Ze liepen zwijgend naast elkaar. De zwartglanzende wagen zoemde voor hen uit.
Charlotte blikte opzij. ‘Is het gebruikelijk dat een rechercheur de begrafenis van het slachtoffer bijwoont?’
De Cock schudde mistroostig zijn hoofd. ‘Het was een idee van mijzelf.’
‘Waarom?’
De grijze speurder trok achteloos zijn schouders op. ‘Ik had zo’n vaag vermoeden,’ sprak hij wat afwezig, ‘dat er weinig mensen zouden komen. Een clown en een begrafenis zijn twee dingen die in onze gedachtewereld niet zo goed bij elkaar passen. Een clown gaat niet echt dood en wordt begraven. Een clown verdwijnt, na het applaus, uit de piste… van het toneel. Dat is zijn einde.’ Hij likte langs zijn lippen en zuchtte. ‘Clowns maken op mij altijd een treurige indruk. Het is net alsof ze, ondanks hun grappen en grollen, een groot leed bij zich dragen.’
Charlotte hield haar pas iets in. De dampende uitlaat van de lijkwagen stonk. ‘Kent u zijn moordenaar al?’
‘Nee… jij?’
Charlotte antwoordde niet. Ze staarde naar beneden, naar het grind voor haar voeten.
‘Hebt u wel eens een optreden van Pierrot gezien?’
De Cock keek haar verontschuldigend aan. ‘Nooit.’ Ze ademde zwaar en duidelijk hoorbaar. ‘Dat is jammer. Dat is heel jammer. Dat had u niet mogen missen. Pieter was onnavolgbaar. Ik besefte dat voor het eerst, toen ik eens tussen het publiek in de zaal ging zitten, in plaats van zijn optreden vanachter het toneel te volgen. Het was haast magisch. Pieter hield de mensen volkomen in zijn ban.’
De Cock hield zijn hoofd voorover en liet het water uit de rand van zijn hoed lopen. ‘On-na-volg-baar.’
‘Beslist. Nederland krijgt nooit meer een Pierrot zoals hij.’ ‘U hield van hem?’
Rond haar lippen zweefde een moede glimlach. ‘Dat… eh, dat weet ik niet. Dat weet ik nooit. Fantinelli, de messenwerper, is mijn kind. Een groot hulpeloos kind. En een kind verlaat je niet. Misschien ben ik daarom wel steeds op zoek naar mannen.’ ‘Zoals de clown?’
Ze knikte nauwelijks waarneembaar. ‘Zoals de goochelaar, de acrobaat… zoals zovelen.’
Ze liepen een tijdje zwijgend verder. De regen werd intenser, feller. De Cock bekeek de grafstenen en las de data van geboorte en sterven. De meeste mensen, besefte hij schokkend, leefden maar kort.
Hij vestigde zijn blik weer op de lijkwagen voor hem en dacht na over de woorden van Charlotte.
‘Zou men hem echt niet kunnen vervangen?’
‘Wie?’
‘Pierrot.’
Charlotte schudde haar hoofd. ‘Onmogelijk.’
‘Toch gebeurde het. Op de avond dat wij de dode Pierrot met een werpmes in zijn rug op dat vlondertje aan de Geldersekade vonden, trad in Groningen een ander voor hem op.’
‘Is dat waar?’ vroeg ze verbaasd.
De Cock knikte. ‘En er was daar niemand… niet achter het toneel en niet in de zaal… die het doorzag.’
Charlotte bleef staan. De lijkwagen zoemde verder. Met de rug van haar hand veegde ze het water uit haar gezicht. In haar helgroene ogen lag een duistere blik.
‘Vlindertje… zij was de enige die Pierrots act volledig beheerste.’
16
Vledder keek zijn collega De Cock ongelovig aan. ‘Vlindertje?’ riep hij verbaasd. ‘Was Vlindertje de Pierrot in Groningen?’ De Cock knikte. ‘Volgens een vrij openhartige Charlotte was Vlindertje de enige van het variétégroepje, die een redelijke imitatie van Pierrot kon brengen. Ze had dat wel eens gedaan… voor de grap.’
‘We kunnen dat nooit meer bewijzen.’
De Cock schudde zijn hoofd. Zijn gezicht stond somber. ‘Als ik erover nadenk, moet zij het wel zijn geweest. We hebben aan Vlindertje alleen maar gedacht als een lief en onbenullig danseresje met vleugeltjes en een mogelijke leidraad naar de geheimzinnige juwelendiefstallen. Aan haar muzikale begaafdheid zijn we min of meer achteloos voorbijgegaan. De act van de clown Pierrot bestond voor het merendeel uit een selectie van muzikale grappen… virtuoos gebracht. Vlindertje had aan het conservatorium in Amsterdam viool gestudeerd en bespeelde vermoedelijk ook andere instrumenten. Zij zal in de jaren dat zij aan het gezelschap was verbonden, het optreden van Pierrot zo vaak hebben gezien, dat zij daarvan elk onderdeel, elke mimiek en elk gebaar kende.’
De ogen van Vledder vergrootten zich plotseling. Hij strekte zijn wijsvinger naar De Cock uit. ‘Als Vlindertje,’ sprak hij opgewonden, ‘inderdaad in Groningen als Pierrot is opgetreden, dan wist zij wie de moordenaar was en kende zij zijn plannen.’ De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip. ‘Dat lijkt mij een redelijke veronderstelling.’
Vledder werd nog enthousiaster. ‘Plannen… waarmee zij akkoord ging. Ze wist wat er ging gebeuren en vond dat goed. Daarom reisde ze naar Groningen en nam de plaats in van Pierrot, die…’
De Cock onderbrak hem: ‘…die werd vermoord.’