Vledder grinnikte.
‘Jij vindt dat de persoon die Matthijs van Slooten neerschoot, in feite een pluim verdient?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat gaat me wat te ver,’ reageerde hij geprikkeld. ‘Gij zult niet doden. Dat is een gebod.’ Hij wees naar het slachtoffer.
‘Dat geldt ook voor degene die deze man van het leven beroofde.’
Vledder keek hem schattend aan.
‘Jij treurt niet om zijn dood?’
De Cock maakte een wrevelig gebaar.
‘Wat zeur je toch?’ sprak hij afwijzend. ‘Het is onze plicht als rechercheur om ook de dader van deze moord te ontmaskeren. Dat heeft met onze persoonlijke gevoelens ten aanzien van dit slachtoffer niets te maken.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Bovendien,’ ging hij wat rustiger verder, ‘behoeft het begrip “vergelding” niet het hoofdmotief voor deze moord te zijn.’
‘Wat dan?’
De Cock spreidde zijn beide armen.
‘We moeten zeker de mogelijkheid niet uitsluiten,’ declameerde hij, ‘dat deze Matthijs van Slooten werd vermoord door de man of de vrouw die hem de opdracht gaf.’
‘Tot de moord op Peter Karstens.’
De Cock knikte.
‘En dat leidt tot een dubbel motief.’
Vledder reageerde verbaasd.
‘Dat begrijp ik niet.’
De Cock glimlachte.
‘Dubbel. De opdrachtgever hoeft de uitgeloofde beloning niet te betalen en hij of zij is een gevaarlijke getuige kwijt.’
‘Gevaarlijke getuige?’
De Cock zuchtte.
‘Het komt in de praktijk dikwijls voor,’ legde hij geduldig uit, ‘dat de opdrachtgever, ik bedoel degene die aanzet tot moord en daar in de regel een beloning aan verbindt, later door de feitelijke moordenaar met zijn wetenschap wordt gechanteerd.’
Vledder snapte het.
‘De huurmoordenaar chanteert later zijn of haar opdrachtgever.’
‘Precies.’
‘De moordenaar loopt dan toch ook zelf gevaar,’ zei Vledder met een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Hij blijft verantwoordelijk voor zijn daad.’
De Cock bracht zijn lippen in een tuitje.
‘Dat gevaar is niet zo groot. De moordenaar kan dreigen met een anonieme tip aan de politie of op een andere wijze het aandeel van de opdrachtgever openbaar maken.’
Vledder grijnsde.
‘Zodat hij zelf buiten schot blijft.’
‘Ja. De gechanteerde opdrachtgever komt in een moeilijk parket. Doet hij aangifte van de chantage bij politie of justitie, geeft hij volledig opening van zaken, dan tekent hij daarmee tevens zijn eigen vonnis.’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Opdrachten tot moord,’ verzuchtte hij, ‘leiden tot griezelige verhoudingen.’
‘Absoluut.’
De jonge rechercheur pakte zijn mobieltje uit een zijzak van zijn jack en hield het omhoog.
‘Wordt het geen tijd, dat we de meute gaan waarschuwen?’
De Cock knikte vaag. Hij blikte om zich heen.
‘Kijk of ergens in dit vertrek patroonhulzen liggen. Misschien heeft deze schutter geen revolver maar een pistool gebruikt. Als wij het moordwapen vinden zijn die hulzen later belangrijk voor de bewijsvoering. En wellicht kunnen we uit de vindplaats de plek markeren vanwaar werd geschoten.’
De oude rechercheur wees naar het slachtoffer.
‘Ga straks ook op zoek naar de revolver waarmee hij Peter Karstens heeft vermoord. Mannen van zijn kaliber houden van hun wapen en doen daar niet graag afstand van.’
Vledder keek zijn leermeester spottend aan.
‘Nog meer?’
De Cock glimlachte.
‘Ik heb aan de toegangsdeur van de woning geen sporen van braak of verbreking gezien. Bekijk dat nog even. Het heeft er veel van weg dat Matthijs van Slooten zijn moordenaar zelf heeft binnengelaten.’
Vledder trok zijn wenkbrauwen op.
‘Hij vermoedde niet dat hij van zijn bezoeker of bezoekster gevaar had te duchten.’
De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.
‘Kijk ook zijn garderobe goed na. Die moet redelijk uitgebreid zijn. Volgens Hannes van der Laar verscheen hij op de Noordermarkt steeds in een andere uitmonstering.’
Vledder grinnikte.
‘Uit-mon-ste-ring. Wat een woord. Dat heet tegenwoordig “outfi t”.’
De Cock negeerde de opmerking. Hij wees opnieuw naar de dode man op de vloer.
‘Zoek ook eens naar correspondentie. Misschien dat we ergens uit kunnen opmaken wie zijn opdrachtgever was, of opdrachtgevers waren. Er moeten contacten zijn geweest. Ook moet hier ergens nog een bril liggen.’
Vledder zwaaide met zijn mobieltje.
‘Ga jij ook nog wat doen?’ vroeg hij vertwijfeld. De Cock grijnsde breed.
‘Ik ontvang straks de meute, die jij nu gaat waarschuwen.’
Bram van Wielingen kwam vrij opgewekt het vertrek binnen. De fotograaf legde zijn aluminium koffertje in een fauteuil en liep op De Cock toe.
‘Je kwam ditmaal precies op tijd,’ sprak hij goedkeurend.
‘Ik stond net op het punt om mij uit te kleden en naar bed te gaan.’
‘Ik ben blij dat je nog niet sliep,’ De Cock glimlachte, ‘dan was je weer eens als een furie tegen mij tekeergegaan… zoals steeds, ten onrechte.’
Bram van Wielingen negeerde de opmerking. Hij wees naar het slachtoffer.
‘Weet je al wie hij is?’
‘Matthijs van Slooten. Hij is, was, vuurgevaarlijk en vrijwel zeker de man die op de Noordermarkt onze kunstschilder vermoordde.’
‘Peter Karstens.’
‘Ja.’
Van Wielingen trok zijn gezicht strak.
‘God straft onmiddellijk.’
De Cock lachte achter zijn hand.
‘Vledder en ik hadden al een hele discussie over het begrip vergelding.’
De fotograaf gromde.
‘Voor mij mogen ze dat soort knapen zonder enige vorm van proces onmiddellijk afschieten.’
De Cock reageerde niet. Hij wees naar het aluminium koffertje in de fauteuil.
‘Schiet de gebruikelijke plaatjes.’
Het klonk als een bevel.
De oude rechercheur draaide zich om. In de deuropening stond dokter Den Koninghe. Achter hem torenden twee onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard. De Cock liep blij op de kleine lijkschouwer toe en schudde hem hartelijk de hand.
‘Het spijt me dat ik u weer moet lastigvallen.’
Dokter Den Koninghe trok een stroeve grimas.
‘Mijn beroep is lijkschouwer. Een vrije keuze van jaren her. En mensen gaan op de vreemdste momenten dood.’ Hij keek naar Bram van Wielingen, die in het dode gelaat van het slachtoffer fl itste. ‘Bent u met hem klaar?’
De fotograaf knikte en liep met zijn Hasselblad bij het slachtoffer weg. De kleine lijkschouwer trok zijn broekspijpen iets op en knielde naast het slachtoffer neer. In een teder gebaar sloot hij met duim en wijsvinger de wijd opengesperde ogen. Even voelde hij aan zijn kin. Daarna knoopte hij het witte overhemd los en bekeek de verwondingen.
De oude knieën van dokter Den Koninghe kraakten toen hij opstond. Hij wees naar de verwondingen aan de borst van het slachtoffer.
‘Een goede schutter,’ sprak hij bewonderend. ‘De kogelinslagen zitten op een kluitje dicht bij elkaar. Dat tref je niet vaak aan.’
De Cock glimlachte.
‘Dat zou mij vrijpleiten.’
‘Hoezo?’
‘Ik ben een slechte schutter. Misschien wel de slechtste van ons hele korps.’
De oude lijkschouwer keek hem zonder enige reactie aan. Geduldig wachtte de grijze speurder tot de lijkschouwer zijn gebruikelijke ceremonie met pochet en brilletje had opgevoerd en het verlossende woord had gesproken.
‘Hij is dood.’
De Cock knikte met een glimlach.
‘Allang?’
‘Een paar uur. Hoogstens. Er is nog geen begin van lijkstijfheid.’
Dokter De Koninghe draaide zich om en verliet tot afscheid wuivend het vertrek.
De Cock riep Bram van Wielingen naar zich toe.