Выбрать главу

‘Ze zit in moeilijkheden,’ mompelde Rhand. Egwene. Hij had een vreemd gevoel in zijn hoofd, alsof delen van zijn leven in gevaar verkeerden. Egwene maakte daar deel van uit, een draadje in het web van zijn leven, maar er waren ook anderen en hij kon voelen dat ze gevaar liepen. Daarginds, in Falme. En als een van die draden vernietigd werd, zou zijn leven nooit meer een geheel zijn, zoals het had moeten zijn. Hij begreep het niet, maar dat gevoel bestond. ‘Eén man kan er hier vijftig tegenhouden,’ zei Ingtar. De twee stallen stonden dicht bij elkaar, met zo weinig ruimte ertussen dat ze er niet naast elkaar konden staan. ‘Eén man kan er vijftig in een smalle doorgang tegenhouden.’ De Seanchanen kwamen steeds dichterbij. Geen slechte manier om te sterven, er zijn liederen voor minder geschreven.

‘Dat zal niet nodig zijn,’ zei Rhand. ‘Hoop ik!’ In de stad ging een dak de lucht in. Hoe kom ik daar weer terug? Ik moet haar halen. Ik moet haar redden. Hoofdschuddend gluurde hij nogmaals om de hoek. Opnieuw waren de Seanchanen dichterbij gekomen. ‘Ik heb nooit geweten wat hij kwam doen,’ zei Ingtar zachtjes alsof hij het tegen zichzelf had. Hij stond daar met getrokken zwaard en beproefde het scherp met zijn duim. ‘Een bleek mannetje dat je eigenlijk helemaal niet zag, zelfs niet als je naar hem keek. Breng hem Fal Dara binnen, werd mij gezegd, de burcht in. Ik wilde het niet, maar ik moest wel. Begrijp je? Ik moest. Ik heb nooit geweten wat hij van plan was, tot hij die pijl afschoot. Ik weet nog steeds niet of hij was bestemd voor de Amyrlin Zetel of voor jou.’ Rhand voelde zich koud worden. Hij keek Ingtar strak aan. ‘Waar heb je het over?’ fluisterde hij.

Terwijl Ingtar zijn kling bekeek, leek hij doof te zijn voor Rhands woorden. ‘De mensheid wordt overal weggevaagd. Naties gaan ten onder en verdwijnen. Overal zijn Duistervrienden en geen enkele zuidlander lijkt het te merken of er iets om te geven. Wij voeren een strijd om de Grenslanden te behouden, om hen veilig in hun huizen te laten wonen en ieder jaar komt de Verwording dichterbij, wat we ook doen. En die zuidlanders hier denken dat Trolloks mythen zijn en Myrddraal een verhaaltje van de speelman.’ Hij keek fronsend op en schudde het hoofd. ‘Het leek mij de enige manier. We zouden zijn vernietigd voor niets terwijl we mensen verdedigden die het niet eens wisten of er iets om gaven. Het leek verstandig. Waarom zouden wij ons voor hen laten doden wanneer wij onze eigen vrede zouden kunnen sluiten? Beter onder de Schaduw, dacht ik, dan een nutteloze ondergang, zoals Caralain, of Hardan, of... Het leek toen zo verstandig.’

Rhand greep Ingtars kraag beet. ‘Je praat wartaal.’ Hij kan toch niet menen wat hij nu zegt. Dat kan niet. ‘Gebruik simpele woorden, zeg wat je bedoelt. Je praat wartaal.’

Ingtar keek Rhand voor het eerst recht aan. Zijn ogen glansden van ongehuilde tranen. ‘Jij bent een beter man dan ik. Schaapherder of heer, een beter man. De voorspelling zegt: “Laat wie mij doet schallen niet aan roem denken maar slechts aan redding.” Ik dacht aan mijn eigen redding. Ik zou de Hoorn laten schallen en de helden uit alle eeuwen naar Shayol Ghul leiden. Dat zou toch zeker voldoende zijn om me te redden? Niemand kan zo lang in de Schaduw verkeren dat hij niet in het Licht kan terugkeren. Dat wordt tenminste gezegd. Dat zou toch zeker genoeg zijn geweest om schoon te wassen wat ik ben geweest en heb gedaan?’

‘O, Licht. Ingtar.’ Rhand liet de andere man los en plofte met zijn rug tegen de stalmuur aan. ‘Ik denk... Ik denk dat het willen genoeg is. Wat je moet doen... ‘Is ophouden... een van hen te zijn.’ Ingtar kromp ineen alsof Rhand het hardop had gezegd. Duistervriend. ‘Rhand. Toen Verin ons hierheen bracht met de Portaalsteen, heb ik... heb ik andere levens geleid. Soms hield ik de Hoorn met eigen handen vast, maar ik heb hem nimmer gestoken. Ik probeerde te ontsnappen aan wat ik ben geworden, maar ik heb het nooit klaargespeeld. Altijd werd er weer iets anders van me gevraagd, altijd iets wat nog erger was dan de vorige keer, tot ik... Jij was bereid het op te geven om een vriend te redden. Denk niet aan roem. O, Licht, help me.’

Rhand wist niet wat hij moest zeggen. Het was of Egwene hem had verteld dat ze kinderen had vermoord. Te afschuwelijk om te geloven. Zoiets afschuwelijks zou niemand ooit toegeven, tenzij het waar was. Te afschuwelijk.

Na een tijdje klonk Ingtars stem weer ferm. ‘Er moet een prijs zijn, Rhand. Er is altijd een prijs. Misschien kan ik hier die schuld inlossen.’

‘Ingtar, ik...’

‘Het is het recht van iedere man, Rhand, om een tijdstip voor Het planten van het zwaard te kiezen. Zelfs iemand als ik heeft dat recht.’ Voor Rhand er nog iets aan kon toevoegen, kwam Hurin door de steeg aanhollen. ‘De soldaten zijn teruggelopen,’ zei hij gehaast, ‘weer de stad in. Ze lijken zich daar te verzamelen. Mart en Perijn zijn verder gegaan.’ Hij keek even snel de straat in en trok zich toen terug. ‘We kunnen maar beter hetzelfde doen, heer Ingtar, heer Rhand. Die

Seanchaanse bijterkoppen zijn er bijna.’

‘Ga, Rhand,’ zei Ingtar. Hij draaide zich om naar de straat en keek niet meer naar Rhand of Hurin. ‘Breng de Hoorn waar die behoort. Ik heb altijd geweten dat de Amyrlin jou het bevel had moeten geven. Alles wat ik wilde, was Shienar in stand houden, om te voorkomen dat we werden weggevaagd en vergeten.’ ik weet het, Ingtar.’ Rhand haalde diep adem. ‘Het Licht schijne op u, heer Ingtar van Huis Shinowa. Moge u beschutting vinden in de handpalm van de Schepper.’ Hij raakte Ingtars schouder aan. ‘De laatste omarming van de moeder verwelkomt je thuis.’ Hurin snakte naar adem.

‘Dank je,’ zei Ingtar zachtjes. De spanning scheen uit hem weg te vloeien. Voor het eerst sinds de nachtelijke inval van de Trolloks in Fal Dara stond hij weer kaarsrecht, vol vertrouwen en ontspannen, net als toen Rhand hem voor het eerst ontmoette. Tevreden. Rhand draaide zich om en zag Hurin naar hem kijken, zag hem naar hen beiden kijken. ‘Tijd om te gaan.’

‘Maar heer Ingtar...’

‘Doet wat hij moet doen,’ zei Rhand scherp. ‘En wij gaan.’ Hurin knikte en Rhand draafde achter hem aan. Rhand kon het regelmatige gestamp van de Seanchaanse laarzen al horen. Hij keek niet om..

47

Geen graf weerstaat mijn geschal

Tegen de tijd dat Rhand en Hurin bij Mart en Perijn kwamen, zaten die al te paard. Ver achter zich hoorde Rhand Ingtars stem schallen. ‘Het Licht, en Shinowa!’ Metaalgekletter vermengde zich met het gebrul van andere stemmen.

‘Waar is Ingtar?’ schreeuwde Mart. ‘Wat gebeurt er allemaal?’ Hij had de Hoorn van Valere aan de hoge knop van zijn zadel gebonden alsof het een simpel ding was, maar de dolk zat in zijn riem en het robijnheft werd koesterend omvat door een bleke hand die slechts uit bot en pezen leek te bestaan.

‘Hij sterft,’ zei Rhand ruw toen hij zich op Roods rug slingerde. ‘Dan moeten we hem helpen,’ zei Perijn. ‘Mart kan de Hoorn en de dolk wel naar...’

‘Hij doet dit zodat wij allemaal kunnen ontsnappen,’ zei Rhand. Ook daarom. ‘We gaan met z’n allen de Hoorn naar Verin brengen en dan kunnen jullie haar verder helpen hem naar de plek te brengen waar hij volgens haar heen moet.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg Perijn. Rhand boorde zijn hakken diep in de flanken van de vos en Rood sprong weg in de richting van de heuvels buiten de stad.

‘Het Licht, en Shinowa!’ bulderde Ingtars stem achter hen en het klonk triomfantelijk en hoog in de lucht gaf de bliksem een flitsend antwoord.