‘Wat denk je, zou het onze vermiste zijn?’
Van Opperdoes weifelde. ‘Het zou goed kunnen. De omschrijving klopt wel zo’n beetje. Blanke man, in de twintig, donker haar.’
Hij zakte door zijn knieën en probeerde het gezicht van de dode man te bekijken.
‘Ik zie het niet en ik wil hem niet aanraken. Laten we maar wachten op de tr en de schouwarts. Dan weten we het snel genoeg.’
Hij kwam met krakende gewrichten moeizaam overeind.
Jacob keek om zich heen. ‘Hoe is-ie gevonden?’
De wijkagent was op de trap blijven wachten, maar stak zijn hoofd nu om de deur.
‘Ik werd aangesproken door de eigenaar van dit pand, toen ik in de wijk aan het surveilleren was. Vandaag kwam hij toevallig even langs voor de verbouwing. En toen trof hij dit aan.’
Van Opperdoes liep langs de muren van de enorme kelder.
‘Een paradijs voor vogels van diverse, kwaadaardige pluimage.’
Er waren verschillende aanwijzingen dat de ruimte onlangs gebruikt was. Flesjes, lege zakjes van etenswaren, zilverpapiertjes die het gebruik van verdovende middelen deden vermoeden, lagen her en der door de kelder. In een hoek bergen lege wijnflessen.
‘Junks. Alcoholisten. Polen, Roemenen, noem maar op. Een perfecte plek waar ze zich kunnen bezatten of drugs gebruiken. Niemand die ze ziet. Ik probeer ze weleens weg te jagen, maar het is vergeefse moeite zolang ze geen deugdelijk hek plaatsen.’
Jacob bekeek de rotzooi. ‘Misschien een uit de hand gelopen ruzie. Om drugs of drank.’
Hij trok plastic handschoenen aan en viste een handtasje van de grond. ‘Of ruzie bij het verdelen van de buit.’
‘Alles kan.’
Jacob keek zijn collega aan. ‘Je klinkt niet echt overtuigd.’
Peter van Opperdoes wreef over zijn ogen.
‘Dat komt omdat we aan het gokken zijn. Op zich heel goed, we moeten alle mogelijkheden op een rijtje zetten. Maar het gevaar is dat je jezelf gaat beperken tot de mogelijkheden die je hebt bedacht. En de waarheid kan weleens heel ergens anders liggen.’
Hij deed een paar stappen opzij. In een natte plek op de grond, zag hij iets glinsteren.
‘Kijk eens aan…’
Jacob kwam naderbij. ‘Een huls. En daar ligt er nog een.’
Van Opperdoes wenkte naar de agent. ‘Is de technische recherche al gewaarschuwd?’
De agent grijnsde. ‘U weet hoe dat gaat, meneer Van Opperdoes. Ze wachten op een telefoontje van u. Van ons simpele zielen nemen ze niets aan.’
Van Opperdoes schudde zijn hoofd.
‘Simpele zielen… niks simpele zielen. Jullie kunnen net zo goed inschatten wanneer ze nodig zijn als wij. Zeker in een geval als dit.’
De agent haalde zijn schouders berustend op. ‘Sommige zaken zijn nu eenmaal zo. Regels zijn regels. Maar ik zal ze bellen en zeggen dat u om ze hebt gevraagd.’
De oude rechercheur wuifde met zijn hand, ten teken dat hij het er volkomen mee eens was. Zijn aandacht was bij de hulzen, en dan voornamelijk bij de plek waar ze lagen.
Jacob ging achter de hulzen staan en keek naar de plek waar het lichaam lag. ‘Denk jij wat ik denk?’
Van Opperdoes grijnsde. ‘Ik weet niet wat jij denkt. Nu niet, tenminste.’
‘Leuk hoor…’
‘Maar ik weet wel wat ík denk. De meeste pistolen gooien de hulzen naar links uit. Dat wil zeggen dat de schutter ten opzichte van deze hulzen een stukje…’ Van Opperdoes duwde Jacob iets naar rechts ‘… die kant op heeft gestaan.’
‘Dat dacht ik dus ook. En zie je hoe donker het hier is?’
Van Opperdoes zag het. Nu de deur geopend was, stroomde er licht de kelder in, en vormde een scherpe afscheiding op de grond tussen licht en donker, precies langs de plek waar de schutter zou hebben gestaan. Iemand die de kelder in zou lopen, zou de schutter niet zien, maar de schutter hem wel.
‘Hij is opgewacht door zijn moordenaar. Dit was geen uit de hand gelopen ruzie, dit was een weloverwogen moord.’
Van Opperdoes knikte langzaam.
De oude rechercheur knipperde met zijn ogen tegen de felle zon toen hij zich langs het hek wurmde en de gracht op liep. Kennelijk was nog steeds niet tot de buitenwereld doorgedrongen wat voor drama zich in de kelder van het leegstaande pand had voltrokken, want niemand schonk enige aandacht aan de twee rechercheurs en de politieagent die op de stoep stonden. Van Opperdoes vond de relatieve rust wel best zo. Het zou niet lang duren voordat de gracht het domein zou worden van vrachtwagens van de politie, en mannen in witte pakken die als een zwerm bijen om de plaats delict cirkelden. Ongetwijfeld zou dat ook de pers aantrekken, en vooral ook mondige Amsterdammers, die met hun neus tegen het rood-witte afzetlint zouden staan om alle activiteiten luidkeels van commentaar te voorzien.
Vrijwel gelijktijdig arriveerden een klein wit autootje met het logo van de ggd, en een witte vrachtwagen van de afdeling Forensische Onderzoeken — door Van Opperdoes halsstarrig de technische recherche genoemd. De mannen van de technische recherche schudden de beide rechercheurs hartelijk de hand, voordat ze zich begonnen om te kleden in de bekende witte pakken.
Ook de vrouwelijke schouwarts, Cathelijne de Wind, kwam erbij staan. ‘En… wat hebben we?’
Jacob keek Van Opperdoes aan, die hem toeknikte. ‘Ga je gang.’
‘We staan hier voor een slecht afgesloten, leegstaand bedrijfspand, toevluchtsoord voor junks, dronkenlappen en andere ongure volksstammen… In de kelder, koud en nat, ligt een dode jonge man, waarschijnlijk neergeschoten, gezien de verwondingen en de hulzen die we hebben aangetroffen.’
De gezichten van de technisch rechercheurs betrokken tijdens Jacobs uitleg steeds meer. Een vieze natte kelder, waar veel ongure mensen rondhingen… dat klonk niet echt bemoedigend als ze zo meteen naar sporen moesten zoeken.
Cathelijne nam een afwachtende houding aan. ‘Gaan jullie eerst voor de sporen? Dan doe ik daarna wel het eerste onderzoek.’
Hugo Pastoor, de leider van de technische recherche, knikte. ‘Goed idee.’
‘Formeel gezien moet ik eerst de dood vaststellen. Maar dat kan wel even wachten, ten gunste van de sporen. Die zijn veel belangrijker dan een formele constatering, toch? Tenzij er twijfel is dat hij dood is?’
Jacob schudde zijn hoofd. ‘Geloof me, hij is dood. Of anders wereldkampioen adem inhouden.’
‘Dan wacht ik.’
Peter van Opperdoes keek tevreden om zich heen. Iedereen begon met de voorbereidingen voor het onderzoek. Met zulke mensen, die meedachten bij een onderzoek, werkte hij graag.
Hugo Pastoor kwam aanlopen. ‘In verband met de sporen… hebben jullie een overzicht van de mensen van wie zeker is dat ze binnen in die kelder zijn geweest?’
Jacob wees op Van Opperdoes en zichzelf. ‘Alleen wij. En de wijkagent. Maar hij heeft voorzichtig gedaan. En wij natuurlijk ook.’
Pastoor haalde zijn schouders op, alsof hij dat al duizend keer had gehoord.
‘Natuurlijk, ze doen allemaal voorzichtig. Maar toch… Als iemand binnen is geweest, moeten we ervan uitgaan dat we diens dna-sporen daar aan kunnen treffen. Weet je wie het slachtoffer is?’
Van Opperdoes schudde zijn hoofd. ‘Nog niet.’
‘Is het misschien die geheimzinnige vermiste van je? Vreemd verhaal, dat van die telefoon…’
‘Heel vreemd verhaal. Niet het feit dat iemand vermist is, dat is op zich niet vreemd… maar dat je in een vuilnisbak een werkende telefoon van de vermiste vindt wel.’
‘Schulden, ruzie, verbroken relatie, depressief of bedreigd?’
De top vijf van redenen waarom iemand zou kunnen verdwijnen, kwam er zo droog uit bij de technisch rechercheur dat Van Opperdoes en Jacob beiden in de lach schoten.
‘We weten nog niet zo heel veel. Het zou allemaal nog kunnen.’
Hugo Pastoor grijnsde. ‘Succes ermee. En dan heb je nu nog een echte moord ook. Dat wordt een latertje…’