Hij draaide zich om en verdween in de richting van het pand.
Van Opperdoes keek naar Jacob. ‘Ik ben er ook bang voor.’
Een uur later was er chaos op de Lijnbaansgracht. Peter van Opperdoes was op een monumentaal trapje van een nabijgelegen woning neergestreken en bezag het van een afstandje allemaal hoofdschuddend. De gracht was tot aan beide naastliggende zijstraten compleet afgezet. Een witte commandowagen stond geparkeerd en agenten liepen af en aan. De ingang van de kelder was het domein van de technische recherche, daar liepen alleen mannen en vrouwen in witte pakken heen en weer.
‘Wat zit je daar alleen?’ vroeg zijn vrouw.
Van Opperdoes glimlachte. Het was alweer even geleden dat hij haar stem had gehoord. Toch wist hij dat ze altijd bij hem was. Ook al zat er weleens wat tijd tussen, hij wist dat ze altijd terug zou komen.
‘Beetje de boel bekijken. Het overzicht houden.’
Zijn vrouw grinnikte. ‘Vervelend hè, als je wordt weggestuurd op je eigen plaats delict.’
Van Opperdoes grijnsde betrapt. ‘Toen je nog leefde kon ik al niks voor je verborgen houden, maar nu…’
‘Nu is het alleen maar erger geworden. Nu weet ik echt precies wat je denkt.’
‘Geeft niks. Ik had geen geheimen voor je, en nu heb ik ze nog steeds niet.’
Het bleef heel even stil.
‘Wacht jij nou maar gewoon af. Het komt toch gewoon op degelijk ouderwets speurwerk neer, dit onderzoek.’
Van Opperdoes keek even op. ‘Wat weet jij meer dan ik?’
De vrolijke lach van zijn vrouw weerklonk in zijn oren. ‘Ik weet zoveel meer dan jij. Maar ja, je moet het toch echt zelf doen.’
Van Opperdoes keek naar de mannen van de technische recherche, die af en aan liepen naar de plaats delict. ‘Zelf doen? Moet je opletten waar zij zo meteen mee aankomen.’
‘Het wordt hard werken, mannetje… Maar ik steun je, goed?’
‘Dat weet ik. Dat voelt ook fijn.’
‘Mooi. Dan laat ik je nu weer even alleen, goed? Kun je je lekker ergeren aan dat gedoe op jouw pd.’
De oude rechercheur moest glimlachen. Het werd steeds drukker binnen de afzetting. Ook bazen met stippen en versierselen op hun schouder kwamen een bezoekje afleggen, en stonden interessant te doen. Ze zorgden er wel voor dat het publiek en de pers goed zicht op ze hadden, en stonden vooral druk te gebaren.
Jacob kwam bij Van Opperdoes staan. ‘Ik zie aan je gezicht dat het je niet bevalt.’
De oude rechercheur maakte een weids gebaar. ‘Het is modern, en het hoort er allemaal bij. Dingen veranderen, en als je er wat van zegt ben je een ouwe zeur die niet met zijn tijd mee wil gaan. Wat doen die bazen daar nou allemaal?
Vroeger had je een chef, die dacht gewoon mee. Tegenwoordig zijn het managers. Het gaat hen alleen maar om statistieken en cijfertjes. Mensen zijn niet belangrijk. Cijfertjes en jezelf verkopen. Bah.’
Hij schudde verdrietig zijn hoofd.
‘Al dat gedoe hier binnen de afzetting, ik mis mijn gevoel van een plaats delict. Het wordt me afgenomen, terwijl vroeger… vroeger was een plaats delict van de rechercheur die de zaak onder zich had. Hij was heer en meester daar, niets ontging hem.’
Jacob glimlachte. ‘dna-sporen zijn veel te klein. Die zouden zelfs jou, met je scherpzinnig inzicht, ontgaan.’
Van Opperdoes schoof ongeduldig naar achteren. ‘Heb je die kelder gezien? Hoeveel mensen denk je dat daar hebben gelopen, of op de grond hebben gespuugd, of speeksel hebben achtergelaten op een flesje of een blikje. Sigaretten? Naalden met het bloed er nog aan?’
Mismoedig schudde de oude rechercheur zijn hoofd.
‘En van al die mensen krijgen we straks dna, met of zonder naam eraan gekoppeld. Vergis je niet, Jacob, we hebben hier waarschijnlijk te maken met één dader, met één schutter. En bij die dader moeten wij het bewijs zoeken, alleen bij hem. De rest is voor ons… even grof gezegd… nauwelijks interessant. Maar wat kunnen we doen zolang we niet weten wie de schutter is? Van al die mensen… van iedereen van wie we dna hebben… moeten we dan bewijzen dat hij of zij de dader niet is.
Hugo Pastoor heeft het zelf ooit gezegd: “Hoe meer je kunt vinden, hoe meer je moet zoeken.” En hij had gelijk. Maar het verstoort wel mijn gevoel, mijn intuïtie op de plaats delict.’
Jacob keek naar de drukte. Er liepen nog meer collega’s rond met wapperende slordige vestjes om. Op de achterzijde stonden allerlei afkortingen en titels: ‘leider plaats delict’, ‘officier van dienst’ en ‘persvoorlichter’. Een aantal hield zich bezig met de inmiddels toegestroomde pers, en ook de buurtbewoners stonden inmiddels met tientallen rond de afzetting.
De nuchtere schouwarts kwam aanlopen. ‘Ik heb een seintje gekregen dat ik erbij mag. Ga je mee?’
Peter van Opperdoes grinnikte en grapte tegen Jacob. ‘Het ontbreekt er nog maar aan dat ze mijn handje vastpakt, zie je dat?’
Voor de ingang van de leegstaande fabriek stond Hugo Pastoor. Hij observeerde Van Opperdoes, grijnsde en legde zijn hand op de schouder van de oude rechercheur.
‘We zijn klaar. Het is jouw plaats delict weer, ouwe brompot. Ik zag je heus wel zitten simmen.’
Van Opperdoes keek naar de zakken met sporen die naar de witte vrachtwagen werden gedragen. ‘Nog interessante dingen?’
Pastoor trok een bedenkelijk gezicht. ‘Afwachten. We gaan alles bekijken, en dan hopen dat er sporen op zitten. We hebben de hulzen veiliggesteld, misschien dat daar sporen op zitten van degene die ze in het wapen heeft gestopt.’
‘Hou me op de hoogte.’
‘Natuurlijk. Je bent de eerste die het hoort.’
Hij liep weg, maar aarzelde na een paar stappen en draaide zich om. ‘Nou… misschien is er toch wel iets interessants.’
Van Opperdoes keek hem vragend aan. ‘Wat dan?’
‘Je moet eens naar zijn handen kijken. Je hebt een extra probleem, denk ik…’
Hoofdstuk 5
Peinzend liep Peter van Opperdoes naar de ingang van het pand. Wat zou Hugo Pastoor bedoelen met een extra probleem? Nou ja, hij zou het zo meteen wel zien.
Jacob kwam naast hem lopen. ‘We zullen hier nog wel even mee bezig zijn, denk je ook niet?’
‘Tenzij de dader zich straks op het bureau meldt, wat ik niet zie gebeuren.’
‘We hebben onze vermiste Michael Zand nog. Daar moeten we ook verder mee.’
Van Opperdoes wreef nadenkend langs de zijkant van zijn hoofd. ‘Ja, daar zeg je wat. Dit gaat ons natuurlijk helemaal opslokken. Maar aan de andere kant… we hebben nog geen reden om aan te nemen dat er iets met hem is gebeurd, laat staan dat er een misdrijf in het spel is. Zijn woning was op orde. Het enige is… die rare telefoon.’
Hij stond even stil en tuurde naar de blauwe lucht.
‘Laten we heel even afwachten hoe dit afloopt. Desnoods geven we het door aan de recherche van bureau Linnaeusstraat. Dat zijn immers ook zeer gewaardeerde collega’s, misschien dat die er verder mee kunnen. Per slot van rekening woont hij in hun wijk.’
Jacob knikte.
Cathelijne de Wind kwam aanlopen, gehuld in beschermende kleding.
‘Ik ben er klaar voor.’
Het hek was opengemaakt en de ingang van de verlaten fabriek bood een weinig uitnodigende aanblik. De afzetting was ruim geformeerd en nu al het personeel van de technische recherche het pand had verlaten, zag het er plotseling heel anders uit.
Met z’n drieën liepen ze naast elkaar in de richting van de fabriek.
Jacob keek om zich heen, hoe de mensen naar hen keken, terwijl ze over de stille gracht naar de hekken toeliepen.
‘We lijken wel drie acteurs in een wildwestfilm. Op weg naar de verlaten saloon, waar het allemaal gebeurt.’
Van Opperdoes grijnsde. ‘Ga jij dan maar voorop, Lucky Luke.’
De kelder bood een totaal andere aanblik nu de technische recherche zes felle lampen in verschillende hoeken had neergezet.