Ze stond met haar rug tegen de weirboom, het jongetje in haar armen. De geesten stonden overal om haar heen. Er waren er meer dan tien, wel twintig, nog meer… sommigen waren ooit wildlingen geweest en droegen nog vachten en vellen… maar meer van hen waren zijn broeders geweest. Sam zag Lark de Zusterman, Zachtvoet en Ryllis. De puist op Chets nek was zwart, zijn zweren bedekt met een dun vliesje ijs. En die ene leek op Heek, al was dat moeilijk te zeggen, omdat de helft van zijn hoofd ontbrak. Ze hadden de arme garron in stukken gescheurd en trokken haar ingewanden er met druipende rode handen uit. Uit haar buik steeg witte damp op. Sam slaakte een jammerend kreetje. ‘Niet eerlijk…’
‘Eer-lijk.’ De raaf streek op zijn schouder neer. ‘Eer-lijk. Deerlijk.’ Hij klapwiekte en krijste met Anje mee. De geesten waren bijna bij haar. Hij hoorde de donkerrode bladeren van de weirboom ritselen, tegen elkaar fluisteren in een taal die hij niet kende. Het sterrenlicht zelf leek zich te roeren, en overal rondom hen kreunden en knarsten de bomen. Sam Tarling kreeg de kleur van gestremde melk en zijn ogen werden als borden zo groot. Raven! Ze zaten in de weirboom, bij honderden, bij duizenden. Vanaf de spierwitte takken gluurden ze tussen het gebladerte door. Hij zag hun snavels opengaan als ze krasten, zag hoe ze hun zwarte vleugels spreidden. Krijsend en fladderend stortten ze zich in woedende wolken op de geesten. Ze zwermden om Chets gezicht en pikten naar zijn blauwe ogen, ze bedekten de Zusterman als vliegen, ze plukten brokjes uit Heeks verbrijzelde hoofd. Er waren er zo veel dat Sam de maan niet kon zien toen hij opkeek.
‘Ga,’ zei de vogel op zijn schouder. ‘Ga, ga, ga.’
Sam zette het op een lopen, waarbij de vorst in wolkjes uit zijn mond barstte. Overal rondom hem sloegen de geesten naar de zwarte vleugels en scherpe snavels die hen bestookten, en als ze vielen waren ze griezelig stil, en ze kreunden noch schreeuwden. Maar de raven negeerden Sam. Hij nam Anje bij de hand en trok haar bij de weirboom vandaan. ‘We moeten gaan.’
‘Maar waarheen?’ Anje haastte zich met haar baby in de arm achter hem aan. ‘Ze hebben ons paard gedood, hoe moeten we…’
‘Broeder!’ De kreet sneed door de nacht, door het gekrijs van duizend raven. Onder de bomen zat een man, van top tot teen in vlekkerig zwart en grijs gehuld, schrijlings op een eland. ‘Hierheen!’
riep de ruiter. Een kap overschaduwde zijn gezicht.
Hij is in het zwart. Sam wenkte Anje met dringende gebaren. De eland was reusachtig, een enorme eland met schouders van tien voet hoog en een gewei dat bijna even breed was. Het beest liet zich door de knieën zakken om hen te laten opstijgen. ‘Hier,’ zei de ruiter en stak een gehandschoende hand omlaag om Anje achter zich op de rug te trekken. Toen was het Sams beurt. ‘Bedankt,’ hijgde hij. Pas toen hij de uitgestoken hand greep, besefte hij dat de ruiter helemaal geen handschoen droeg. Zijn hand was zwart en koud, met vingers zo hard als steen.
Arya
Toen ze de heuvelkam hadden bereikt en de rivier zagen, hield Sandor Clegane abrupt de teugels in en vloekte. De regen viel uit een loodgrijze lucht omlaag en boorde tienduizend zwaarden in de woeste, groenbruine stroom. Hij is wel een mijl breed, dacht Arya. Uit het kolkende water staken zeker vijftig boomtoppen op waarvan de takken als de armen van drenkelingen naar de hemel klauwden. Dikke plakkaten doorweekte bladeren klonterden op de oevers, en daarachter in de stroomgeul ving ze een glimp van iets bleeks en gezwollens op, een hert of misschien een dood paard, dat snel stroomafwaarts werd gesleurd. Er klonk ook een geluid, een laag gerommel op de rand van het gehoor, het geluid van een hond vlak voor hij gaat grommen. Arya kronkelde in het zadel en voelde hoe de ringetjes van Cleganes maliënkolder in haar rug drukten. Hij had zijn armen om haar heen; om de linkerarm, de verbrande, zat een beschermend stalen armstuk, maar ze had hem het verband zien verversen, en de huid eronder was nog rauw en vochtig. Maar uit niets viel op te maken of de brandwonden pijn deden.
‘Is dit de Zwartwaterstroom?’ Ze hadden zo lang door regen en duisternis, ongebaande wouden en naamloze dorpen gereden, dat Arya er geen idee meer van had waar ze waren.
‘Het is een rivier die we moeten oversteken, meer hoef je niet te weten.’ Soms gaf Clegane antwoord, maar hij had haar gewaarschuwd dat ze niets terug moest zeggen. Hij had haar die eerste dag heel vaak gewaarschuwd. ‘Als je me nog eens slaat bind ik je handen op je rug,’ had hij gezegd. ‘Als je nog eens probeert weg te lopen bind ik je voeten aan elkaar. Als je nog eens gilt, schreeuwt of bijt, dan knevel ik je. We kunnen achter elkaar rijden maar ik kan je ook dwars over de rug van het paard gooien, vastgebonden als een zeug die naar de slachtbank gaat. Kies zelf maar.’
Ze had ervoor gekozen om te rijden, maar de eerste keer dat ze hun kamp opsloegen had ze gewacht tot ze meende dat hij sliep en een grote, puntige steen gezocht om hem zijn lelijke kop mee in te slaan. Stil als een schaduw, had ze bij zichzelf gezegd, terwijl ze op hem afsloop. Het was niet stil genoeg. De Jachthond sliep helemaal niet. Of misschien was hij wakker geworden. Maar hoe dan ook, zijn ogen gingen open, zijn mond vertrok en hij pakte haar de steen af alsof ze een klein kind was. Ze kon hem alleen nog een schop geven, meer niet. ‘Deze keer zie ik het nog door de vingers,’ zei hij terwijl hij de steen in de struiken smeet, ‘maar als je zo stom bent om het nog eens te proberen gaat het pijn doen.’