Выбрать главу

‘Beloofd!’

Daarmee was de dans afgelopen. Nim maakte een diepe buiging voor zijn danspartner en pas toen voelde hij hoe uitgeput hij was. Het leek of hij uren achtereen had gedanst. Al zijn spieren deden pijn en protesteerden. Hij was buiten adem.

Een klok begon het hele uur te slaan. Nim telde de slagen. Het waren er twaalf. Verbaasd vroeg hij zich af of ze twaalf uur hadden gedanst of vierentwintig of nul.

Hij rechtte zijn rug en keek om zich heen. De doden waren verdwenen, evenals de Dame op de Schimmel. Alleen de levenden waren er nog. Ze maakten aanstalten om naar huis te gaan. Versuft verlieten ze het stadsplein, houterig als mensen die uit een diepe slaap zijn gewekt en nog niet goed wakker zijn.

Het plein lag bezaaid met witte bloemetjes. Het leek alsof er een bruiloft was geweest.

* * *

De volgende middag ontwaakte Nim in de tombe van de Owensen met het gevoel dat hij een groot geheim kende, dat hij iets ongelooflijk belangrijks had gedaan en daar dolgraag over wilde praten.

Toen mevrouw Owens opstond, zei hij: ‘Wat was dat wonderbaarlijk gisteravond!’

‘O ja?’ vroeg mevrouw Owens.

‘We hebben allemaal gedanst,’ ging Nim verder. ‘In de oude stad.’

‘Nee maar,’ zei mevrouw Owens snuivend. ‘Dansen maar liefst. Je weet toch dat je niet in de stad mag komen.’

Als zijn moeder in zo’n bui was, wist Nim, kon hij haar maar beter met rust laten. Hij glipte naar buiten, waar het begon te schemeren.

Daarna liep hij de heuvel op naar de zwarte gedenknaald en de steen van Josiah Worthington met het natuurlijke amfitheater, waarvandaan hij kon uitkijken over de oude stad en de lichtjes van de omringende bebouwing.

Josiah Worthington stond naast hem.

Nim zei: ‘U opende de dans met de burgemeester. U hebt met haar gedanst.’

Josiah Worthington keek hem zwijgend aan.

‘Echt waar!’

‘De doden en de levenden gaan niet met elkaar om, kind,’ zei Josiah Worthington. ‘Wij maken geen deel meer uit van hun wereld en zij niet meer van de onze. Die doodenkele keer dat we samen dansen, dedanse macabre, de dodendans, spreken we daar niet over en al helemaal niet met de levenden.’

‘Maar ik hoor bij jullie.’

‘Nog niet, kind. Van je levensdagen niet.’

Nu begreep Nim ook waarom hij bij de levenden had gestaan en niet had meegelopen in de stoet die de heuvel was afgekomen. ‘Aha, ik snap het… denk ik.’

Hij rende naar beneden, een tienjarige jongen met enorme haast. In zijn vaart struikelde hij bijna over Digby Poole (1785–1860, kijk goed naar mijP straks ligt hier gij), krabbelde moeizaam overeind en stormde naar de oude kapel, bang dat hij Silas zou mislopen, bang dat zijn voogd al op stap was tegen de tijd dat hij daar aankwam.

Nim ging op de bank zitten.

Naast hem een beweging, maar onhoorbaar, en zijn voogd zei: ‘Goedenavond, Nim.’

‘Je was erbij gisteravond,’ zei Nim. ‘Probeer dat maar niet te ontkennen, want ik weet dat je er was.’

‘Inderdaad.’

‘Ik heb met haar gedanst, met de dame op het witte paard.’

‘O ja?’

‘Je hebt het gezien! Je keek naar ons! Naar de levenden en de doden! We hebben gedanst. Waarom wil niemand erover praten?’

‘Omdat er mysteries zijn. Omdat er dingen zijn waarover mensen niet mogen spreken. Omdat er dingen zijn die ze zich niet meer kunnen herinneren.’

‘Maar jij spreekt er wel over. Wij praten toch over de macabree.’

‘Ik heb niet gedanst,’ zei Silas.

‘Maar je hebt het gezien.’

‘Ik weet niet wat ik heb gezien.’

‘Ik danste met de dame!’ riep Nim uit. Zijn voogd keek zielsbedroefd en Nim werd bang. Hij voelde zich een kind dat een slapende panter had gewekt.

Maar Silas zei alleen: ‘Dit gesprek is afgelopen.’

Nim had misschien nog iets gezegd — hij had nog talloze dingen willen zeggen, hoe onverstandig dat ook mocht zijn — maar zijn aandacht werd afgeleid. Hij hoorde een zwak en zacht geruis. Met een koude, vederlichte aanraking streek er iets langs zijn wang.

Op slag waren alle herinneringen aan de dans verdwenen, en zijn angst veranderde in bewondering en verrukking.

Het was de derde keer in zijn leven dat hij dit meemaakte.

‘Kijk, Silas, het sneeuwt!’ Hij werd vervuld van zo’n groot geluksgevoel dat er geen plaats was voor iets anders. ‘Het sneeuwt echt!’

De Conventie

Op een bordje in de hotellobby stond dat de Washingtonzaal die avond gereserveerd was voor een privebijeenkomst, hoewel niemand er het fijne van wist. Als je trouwens de zaal in zou kunnen kijken, zou je van de aanwezigen niet veel wijzer worden, hoewel een vluchtige blik volstond vast te stellen dat er geen vrouwen bij waren. Het was een mannenbijeenkomst, dat was wel duidelijk. Ze zaten aan ronde eettafels en waren bijna klaar met het dessert.

Het waren er een stuk of honderd, allen gekleed in een stemmig zwart pak. Dat pak was het enige wat ze gemeenschappelijk hadden, want ze hadden grijs haar, donker haar, blond haar, rood haar of geen haar. Hun gezicht was vriendelijk of onvriendelijk, behulpzaam of nors, open of gereserveerd, gevoelig of bot. De meesten waren blank, maar er waren ook zwarte en bruine mannen bij, en ze kwamen uit Europa, Afrika, India, China, Zuid- of Noord-Amerika of de Filipijnen. Onder elkaar en met de obers spraken ze Engels, maar hun accent was net zo divers als zijzelf. Ze kwamen uit alle landen van Europa en van over de hele wereld.

De mannen in zwarte pakken zaten aan tafel, terwijl een omvangrijke, montere man in jacquet — alsof hij rechtstreeks van een bruiloft kwam — verslag deed van alle verrichte Goede Daden. Er waren buitenlandse vakanties georganiseerd voor kinderen uit sloppenwijken. Er was een bus aangeschaft om uitstapjes te kunnen maken met mensen die er nodig eens uit moesten.

De man Jack zat aan het voorste tafeltje in het midden van de zaal, naast een modieuze man met zilvergrijs haar. Ze wachtten op de koffie.

‘De tijd staat niet stil,’ zei de zilverharige man, ‘en we worden er allemaal niet jonger op.’

De man Jack zei: ‘Weet je nog, dat incident in San Francisco van vier jaar geleden…’

‘Een kwestie van pech, maar het had even weinig met de zaak te maken als een beukennootje met de lente. Je hebt gefaald, Jack. Je had ze allemaal moeten uitschakelen, ook de baby, of juist de baby. Bijna raak is evengoed mis.’

Een ober in een wit jasje schonk koffie in voor de mannen aan hun tafeltje: een klein mannetje met een potlooddun, zwart snorretje; een grote blonde man die zo knap was dat hij weggelopen leek te zijn van het witte doek, en een zwarte man met een reusachtig hoofd en de wilde blik van een getergde stier in de arena. De mannen deden heel demonstratief alsof ze niet geinteresseerd waren in het gesprek aan hun tafeltje, maar een en al oor waren voor de spreker. Ze klapten zelfs van tijd tot tijd. De zilvergrijze man gooide een paar grote scheppen suiker in zijn koffie en roerde driftig.

‘Al tien jaar,’ zei hij. ‘De tijd vliegt en de baby is bijna volwassen. En dan?’

‘Ik heb nog tijd, meneer Dandy,’ zei de man Jack, maar de zilvergrijze man viel hem in de rede en prikte met zijn grote pink in zijn richting.

‘Je had tijd. Nu heb je alleen nog een deadline. Nu moet je slim zijn. Zoete broodjes worden niet meer gebakken. We zijn het zat, allemaal, elke man Jack hier.’

De man Jack knikte stug. ‘Ik heb aanwijzingen.’

De zilverharige man slurpte zijn zwarte koffie naar binnen. ‘Echt waar?’

‘Echt. Ik blijf herhalen dat het te maken heeft met onze problemen in San Francisco.’

‘En heb je dat met de secretaris besproken?’ Meneer Dandy gebaarde naar de spreker op het podium, die juist stond te vertellen dat ze het afgelopen jaar dankzij hun vrijgevigheid de nodige apparatuur aan een ziekenhuis hadden kunnen schenken. (‘Niet een, niet twee, maar drie dialysetoestellen,’ zei hij. De mannen in de zaal applaudisseerden beleefd voor hun eigen vrijgevigheid.)