Waar ze precies bang voor was, dat kon of wilde ze niet begrijpen.
Aanvankelijk strompelde ze blindelings door de gangen, niet wetend waar ze naartoe ging of wat ze deed. Toen dook ze weg in een hoekje, droogde haar tranen en vermande zich. Ze schaamde zich omdat ze haar zelfbeheersing had verloren, en nu wist ze wat ze moest doen. Ze moest op zoek naar Denubis. Dan kon ze Raistlins ongelijk bewijzen. Bijgelicht door de gloed van Solinari liep ze door de lege gangen naar Denubis’ kamer. Dat verhaal over verdwenen priesters kon niet kloppen. Sterker nog, Crysania had nooit geloofd in de oude legenden over de Nacht van de Doem. Ze beschouwde ze als ouwewijvenpraatjes. En zelfs nu weigerde ze nog het te geloven. Raistlin... vergiste zich.
Ze spoedde zich voort. Ze kende de weg goed. Vaak had ze Denubis in zijn kamer opgezocht om te discussiëren over theologie of geschiedenis, of om zijn verhalen over zijn vaderland aan te horen. Ze klopte aan. Er werd niet opengedaan.
‘Hij slaapt al,’ zei Crysania bij zichzelf, geërgerd over de plotselinge rilling die over haar rug liep. ‘Natuurlijk, het is al na Diepe Wacht. Ik kom morgenochtend wel terug.’
Maar ze klopte nogmaals aan en riep zelfs zachtjes zijn naam: ‘Denubis!’
Nog steeds niets.
‘Ik kom een andere keer wel terug. Het is immers nog maar een paar uur geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien,’ zei ze tegen zichzelf, maar haar hand lag al op de deurknop en draaide hem zachtjes om. ‘Denubis?’ fluisterde ze met haar hart in haar keel. Het was donker in de kamer, die grensde aan een binnenplaats, waardoor er geen maanlicht door het raam naar binnen scheen. Even liet Crysania’s vastberadenheid haar in de steek. ‘Dit slaat nergens op,’ sprak ze zichzelf berispend toe. Ze zag al levendig voor zich hoe gênant het voor haar en voor Denubis zou zijn als hij wakker werd en haar betrapte terwijl ze midden in de nacht zijn slaapkamer binnensloop.
Met een ferme beweging gooide Crysania de deur open, zodat de toortsen in de gang het kamertje konden verlichten. Het was nog precies zoals hij het had achtergelaten: schoon, opgeruimd... en leeg.
Nou ja, niet helemaal leeg. Zijn boeken, zijn ganzenveer en zelfs zijn kleren waren er nog, alsof hij maar heel even weg was en elk moment weer terug kon komen. Maar het leven was uit de kamer verdwenen, en hij was net zo koud en leeg als het keurig opgemaakte bed.
Even werd het licht op de gang wazig in Crysania’s ogen. Haar benen voelden slap aan en ze leunde tegen de deur. Vervolgens dwong ze zichzelf opnieuw kalm te blijven, logisch na te denken. Vastberaden sloot ze de deur, en al net zo vastberaden dwong ze zichzelf door de stille gangen naar haar kamer te lopen.
Goed, dus de Nacht van de Doem was aangebroken. De ware priesters waren verdwenen. Het was bijna midwinter. Dertien dagen na midwinter zou de Catastrofe zich voltrekken. Die gedachte bracht haar tot staan. Zwak en misselijk leunde ze tegen een raam, en met niets ziende ogen staarde ze naar een tuin, badend in wit maanlicht. Dus dit was het einde van haar plannen, haar dromen, haar doelen. Ze zou gedwongen zijn terug te keren naar haar eigen tijd en te melden dat ze jammerlijk had gefaald.
De met maanlicht overgoten tuin danste voor haar ogen. Ze had ontdekt dat de kerk een en al corruptie was en dat de Priesterkoning verantwoordelijk leek te zijn voor de afschuwelijke vernietiging van de wereld. Ze had zelfs gefaald in haar oorspronkelijke opzet om Raistlin van het kwaad te redden. Hij zou nooit naar haar luisteren. Op dit moment lachte hij haar waarschijnlijk uit met die afschuwelijke hoonlach van hem...
‘Eerwaarde dochter?’ klonk een stem.
Haastig veegde Crysania haar tranen weg en draaide zich om. ‘Wie is daar?’ vroeg ze, nadat ze had geprobeerd haar keel te schrapen. Knipperend met haar ogen staarde ze in de duisternis, en de adem stokte haar in de keel toen er een donkere gedaante in een gewaad uit de schaduw opdook. Ze kon geen woord uitbrengen, haar stem liet haar in de steek.
‘Ik was op weg naar mijn vertrekken toen ik je hier zag staan,’ zei hij, en nu was er geen lach of spot in zijn stem. Die was koel en een tikje cynisch, maar er klonk ook iets vreemds in door, iets hartelijks dat Crysania deed beven.
Raistlin kwam naast haar staan. ‘Ik hoop dat je niet ziek wordt,’ zei hij. Ze kon zijn gezicht niet zien, verborgen in de schaduw van zijn donkere kap. Maar ze kon zijn ogen zien, glinsterend, helder en kil in het maanlicht.
‘Nee,’ prevelde Crysania verward. Ze wendde haar gezicht af, vurig hopend dat elk spoor van haar tranen verdwenen was. Maar het hielp niet. Vermoeidheid, spanning en haar eigen tekortkomingen overweldigden haar. Ze deed haar uiterste best om zich te beheersen, maar de tranen stroomden alweer over haar wangen.
‘Ga weg, alsjeblieft,’ zei ze. Ze kneep haar ogen dicht en slikte haar tranen in als een bitter medicijn.
Ze voelde een warmte die haar omringde, en de zachte aanraking van een zwart fluwelen gewaad tegen haar blote arm. Ze rook de zoete geuren van specerijen en rozenblaadjes en een ietwat weeë stank van bederf – vleermuisvleugels misschien, of de schedel van een of ander dier – de mysterieuze dingen die magiërs gebruikten voor hun betoveringen. Toen voelde ze een hand op haar wang, slanke vingers, gevoelig en sterk, gloeiend van die merkwaardige warmte.
Misschien veegden die vingers de tranen weg, misschien verdampten ze onder die brandende aanraking; dat wist Crysania niet. Zachtjes tilden de vingers haar kin op en wendden haar gezicht af van het maanlicht. Crysania kreeg geen adem, het bonzen van haar hart dreigde haar te verstikken. Ze hield haar ogen dicht, bang voor wat ze zou zien. Maar ze voelde dat Raistlins slanke lichaam, stevig onder het zachte gewaad, tegen het hare drukte. Ze voelde die verschrikkelijke warmte...
Opeens wilde Crysania wegkruipen in zijn duisternis, zich erin verbergen en er troost in zoeken. Ze wilde dat die warmte de kou uit haar binnenste zou verdrijven. Gretig hief ze haar handen... maar hij was al weg. Ze hoorde het geruis van zijn gewaad wegsterven in de stille gang.
Geschrokken opende Crysania haar ogen. Weer biggelden de tranen over haar wangen terwijl ze haar wang tegen het koude glas drukte. Maar dit waren tranen van vreugde.
‘Paladijn,’ fluisterde ze, ‘dank u. Mijn koers is duidelijk. Ik zal niet falen!’
Een gedaante in een donker gewaad beende door de gangen van de tempel. Eenieder die hem tegenkwam, deinsde angstig terug, geschrokken van de woede die voelbaar, zij het niet zichtbaar was op het in schaduw gehulde gezicht. Uiteindelijk liep Raistlin zijn eigen, verlaten gang in, ramde de deur van zijn kamer zo hard open dat die bijna versplinterde en liet met één blik de vlammen oplaaien in de open haard. Het vuur brulde door de schoorsteen, en Raistlin liep door de kamer heen en weer, zichzelf vervloekend tot hij te moe was om te lopen. Toen liet hij zich op een stoel zakken en staarde hij met koortsachtige blik naar de vlammen.
‘Dwaas!’ herhaalde hij. ‘Dit had ik moeten voorzien.’ Hij balde zijn vuist. ‘Ik had het kunnen weten. Hoe sterk dit lichaam ook is, het vertoont nog altijd die grote zwakte die de mensheid eigen is. Hoe intelligent en gedisciplineerd de geest ook is, hoezeer de emoties ook worden beheerst, altijd houdt dat zich in de schaduw schuil, wachtend op een kans om op te duiken en het over te nemen.’ Grauwend van razernij begroef hij zijn nagels in zijn handpalm, tot bloedens toe. ‘Ik zie haar nog steeds voor me! Ik zie haar ivoorblanke huid, haar bleke, zachte lippen. Ik ruik haar haren en voel de zachte rondingen van haar lichaam tegen het mijne.
Nee!’ Het was bijna een gil. ‘Dit mag niet, kan niet gebeuren. Of misschien...’ Een plotselinge gedachte. ‘Stel dat ik haar zou verleiden? Zou ik haar daarmee niet nog meer in mijn macht krijgen?’ De gedachte was zeer aanlokkelijk, en de jongeman werd overspoeld door zo’n hevige golf van begeerte dat hij ervan beefde.