Выбрать главу

Het was Tibbes baas.

Of hij dadelijk even langs wou komen.

Een half uur later zat hij weer op het bekende plekje voor het buro in de kamer van zijn baas. En de Redactiekat zat er ook weer en knipoogde.

‘Het ziet ernaar uit dat je gelijk hebt gehad, Tibbe,’ zei de Hoofdredacteur. ‘Wat je geschreven hebt waswaar.’

‘Natuurlijk was het waar,’ zei Tibbe. ‘Anders had ik het niet geschreven.’

‘Wacht eventjes…’ zei de baas. ‘Ik blijf erbij dat je geen enkel bewijs had. En je mag nooit iets schrijven als je geen bewijzen hebt. Je hebt er dus toch verkeerd aan gedaan. Laten we hopen dat je dat voortaan niet meer doet.’

Tibbe keek op.‘Voortaan?’ vroeg hij.

‘Ja. Want ik hoop dat je weer gewoon wil doorgaan bij ons aan de krant. Dat is toch zo?’

‘O ja, dolgraag,’ zei Tibbe.

‘Goed, dat is dan afgesproken. En… o ja, Tibbe… voor je weggaat nog even dit: je hebt in lange tijd niets over katten geschreven. Hetmag wel weer eens een keertje. Als het maar niet te vaak is.’

‘Fijn,’ zei Tibbe.

Direct toen het gesprek was afgelopen glipte de Redactiekat het raam uit en haastte zich de daken op om het nieuws aan Minoes te vertellen.

‘Je baas is terug bij de krant!’

Minoes zuchtte van opluchting.

‘En nu kun je dus wel weggaan,’ zei de kat.

‘Weggaan? Waar naar toe?’

‘Wel,’ zei de Redactiekat. ‘Je zuster wil je toch terug hebben? Je mag toch weer naar je ouwe huis?’

‘Ik weet het niet…’ zei Minoes en ze raakte helemaal in de war. ‘Wie zegt dat?’

‘Dat heb ik gehoord onderweg… een paar katten zeiden het… heb je je zuster nog niet gesproken?’

‘Nee,’ zei Minoes.

‘Dan komt ze binnenkort wel naar je toe. Om je te halen.’

‘Maar ik wil niet,’ zei Minoes. ‘Ik heb toch een baas. En hij heeft me nog altijd nodig. Hoe moet hij anders aan nieuws komen?’

‘Hij heeft je niet meer nodig,’ zei de Redactiekat. ‘Hij is zo veranderd! Helemaal niet meer verlegen. Hij durft tegenwoordig alles. Heb je dat dan niet gemerkt?’

‘Ja,’ zei Minoes. ‘Het is waar. Hij durft naar alle mensen toe te stappen en alles te vragen. Omdat hij zo kwaad was op Ellemeet is hij moedig geworden. Hij heeft Leren Durven.’

Op weg naar de zolder praatte Minoes even met de Jakkepoes, die ook dadelijk begon over de zuster.

‘Je zuster vraagt of je eens langskomt,’ zei de Jakkepoes. ‘Ik heb haar zelf niet gesproken, maar de boodschap werd rondverteld. Ik zou maar eens gaan, als ik jou was.’

‘Ja…’ zei Minoes aarzelend.

‘Ik hoor dat ze een middeltje heeft om je te genezen.Dat zou een zegen wezen,’ zei de Jakkepoes. ‘Zalig om weer kat te zijn… of niet soms?’ Ze keek Minoes loerend aan met haar gele ogen.

‘Ik eh… Ik weet het niet meer…’ zei Minoes. Ze vond Tibbe in z’n woonkamer, uitgelaten van vreugde.

‘M’n baan terug en m’n huis terug!’ riep hij. ‘We gaan het vieren met een heleboel gebakken visjes.’ Door zijn blijdschap merkte hij niet op hoe zwijgzaam Minoes was. Zwijgzaam en peinzend en allerminst vrolijk.

Hoofdstuk 17

Is je weer poes?

Tibbe werd wakker door een donzig pootje dat over z’n gezicht streek. Het was Fluf.

Tibbe keek op z’n wekkertje. ‘Kwart over drie in de nacht… Fluf, waarom maak je me wakker. Ga gauw weer op m’n voeteneind liggen.’

Maar Fluf mauwde dringend.

‘Heb je iets te zeggen? Moet je me iets vertellen? Je weet toch dat ik je niet versta. Ga maar naar Minoes. Die zal nu wel in haar doos liggen.’

Maar Fluf hield niet op en mauwde net zo lang tot Tibbe opstond.

Minoes lag niet in haar doos. Ze moest dus nog op het dak zijn. Het begon al licht te worden. De kleine katjes speelden in de berghoek en Fluf riep hem duidelijk mee naar het dakraam in de keuken.

‘Wat is er toch? Moet ik naar buiten kijken?’

Tibbe boog zich uit het raam en keek uit over de daken. Op het schuine dakje vlakbij zaten twee katten. De ene was de Jakkepoes. De ander was een prachtige grote rode poes met een wit befje en een wit puntje aan haar staart.

Tibbe boog zich verder naar buiten en het raam piepte. De rode poes keek hem aan.

Hij schrok zo dat hij bijna zijn evenwicht verloor en zich snel moest vastgrijpen aan het kozijn. Het was Minoes.

De ogen van Minoes die hij zo goed kende. En helemaal het gezichtje van Minoes, maar nuecht kat.

Hij wilde roepen:Minoes! maar de schrik had hem schor en stom gemaakt. Het duurde trouwens maar een ogenblik. De rode poes draaide zich om en verdween met een paar vlugge sprongen achter een dakrand.

De Jakkepoes bleef zitten. Ze zwaaide even met haar staart en keek geheimzinnig met haar gele ogen.

Een beetje duizelig ging Tibbe naar binnen, zette zich op de bank en beet op z’n nagels.

‘Onzin…’ zei hij. ‘Nonsens. Wat haal ik me nou in m’n hoofd? Straks komt juffrouw Minoes gewoon weer terug.’

Fluf bleef om hem heen draaien en probeerde hem aldoor iets te vertellen. Nog nooit had hij zo graagkats willen verstaan… in elk gevalwas er iets… dat begreep hij.

‘Wat wou je zeggen, Fluf. Is ze weer een poes geworden?’

‘Ach, onzin…’ zei hij weer. ‘Ik droom nog half. Ik ga weer naar bed.’

Hij probeerde weer te slapen, maar het lukte niet. Hij lag te wachten… Meestal kwam Minoes thuis zodra het licht werd. Dan ging ze in haar doos. Nu kwam ze niet en hij werd steeds ongeruster. Eindelijk stond hij op om een kop koffie te zetten.

Zes uur in de ochtend. Minoes was niet thuisgekomen.

Tibbe ging kijken of haar spulletjes er nog waren. Haar washandje en tandenborstel en zo. Het was er allemaal. Ook haar koffertje stond in de berghoek. Gelukkig.

Gelukkig? Waarom gelukkig? Als ze een kat is geworden heeft ze dat toch immers niet nodig.

Ik lijk wel gek. Wat haal ik me toch allemaal voor larie in m’n hersens.

Om kwart over zes werd er gebeld.

Ze belt aan! dacht Tibbe. Ze komt langs de voordeur.

Maar het was Minoes niet. Het was Bibi die de trap op kwam.

‘Ik ben wel erg vroeg, Tibbe,’ zei ze. ‘Maar ik was ook zo geschrokken. Ik keek uit mijn raam vanmorgen… ik kijk ook uit over daken, net als jij… en ik heb Minoes gezien. Ze kwam langs.’

‘Ja?’ zei Tibbe. ‘En…’

Bibi zweeg even en keek hem radeloos aan.‘Ga nou door, Bibi…’

‘Ze is weer poes,’ zei Bibi. Ze zei het aarzelend. Ze was bang dat Tibbe haar uit zou lachen. Maar Tibbe bleef ernstig. Hij zei weclass="underline" ‘Kom nou… Bibi, wat een onzin…’ Maar hij zei het zonder overtuiging.

‘’t Is echt waar,’ zei Bibi.

‘Ik geloof dat ik haar ook gezien heb,’ zei Tibbe. ‘Ik wou haar roepen maar ze liep weg. Waar zou ze zijn?’

‘Ik denk dat ze naar haar ouwe huis is,’ zei Bibi. ‘Naar haar eigen tuin.’

‘Wat voor eigen tuin?’

‘In de Emmalaan. Ze heeft me een keer verteld dat ze thuishoorde in de Emmalaan. In een huis met een goudenregenstruik naast het terras. Toen ze nog kat was, woonde ze daar.’

Fluf begon weer te miauwen.

‘Ik versta het niet,’ zei Bibi. ‘Maar hij zegt vast ook, dat het zo is. Wat moeten we doen, Tibbe?’

‘Niets,’ zei Tibbe. ‘Wat moeten we doen?’

‘Erheen gaan,’ zei Bibi. ‘Naar de Emmalaan. Kijken of we haar zien.’

‘Ach nee… wat een onzin,’ zei Tibbe.

Maar tien minuten later liepen ze samen op straat, in de vroege ochtend.

Het was een heel eind weg en ze moesten ook nog even zoeken om de Emmalaan te vinden. Het was een klein krom laantje met witte huizen en grote voortuinen.

‘Ik zie nergens een rooie poes,’ zei Tibbe. ‘Ik zie ook nergens een goudenregen.’

‘Die moet aan de achterkant zijn,’ zei Bibi. ‘Ik loop even door de achtertuinen. Het is nog zo vroeg, er is nog niemand op.’

Het was erg stil in het laantje op dit vroege uur. Vogels zongen en bloesems schommelden in de wind. Tibbe wachtte op een hekje tot Bibi terug zou komen. Voor een van de villa’s stond een grote vuilnisbak. Het huis zelf was geen woonhuis meer, maar iets kantoorachtigs. Met zwarte letters stond op het hek:Instituut voor Biochemisch Onderhoek.