Выбрать главу

Toen liep ze het huis uit en wandelde door het Centro, langs de bocht van de rivier, door de Vila das Aguas, naar de biologistapost. Haar huis.

Het was koud in de onverwarmde woonvertrekken — ze had er al zo lang niet geslapen dat er een dikke laag stof op haar bed lag. Maar in het veelgebruikte lab was het natuurlijk warm — haar werk had nooit geleden onder haar band met Pipo en Libo. Was dat maar wel het geval geweest.

Ze ging ontzettend systematisch te werk. Elk monster, elk preparaatje, elke kweek die ze had gebruikt bij de ontdekkingen die tot Pipo’s dood leidden — ze gooide ze allemaal weg, schrobde alles schoon en liet geen spoor achter van het werk dat ze gedaan had. Ze wilde niet gewoon maar dat het verdween, ze wilde ook dat uit niets bleek dat het verwoest was.

Toen ging ze achter haar toetsenbord zitten. Ze zou ook alle verslagen van haar werk op dit terrein, alle verslagen van het werk van haar ouders dat tot haar eigen ontdekkingen geleid had, vernietigen. Weg ermee. Ook al had haar leven erom gedraaid, al had ze zich er jarenlang mee geïdentificeerd, ze zou haar werk vernietigen zoals zijzelf gestraft en zonder sporen na te laten vernietigd zou moeten worden.

De computer weerhield haar. ‘Werkaantekeningen van xenobiologisch onderzoek mogen niet gewist worden,’ meldde hij. Ze had het trouwens toch niet kunnen doen. Ze had van haar ouders geleerd, van hun archief dat ze bestudeerd had als de Heilige Schrift, als een wegenkaart die de weg naar haar innerlijk aangaf: er mag niets vernietigd worden en niets vergeten. De heiligheid van kennis zat dieper in haar ziel geprent dan welke catechismus ook. Ze zat gevangen in een paradox. Kennis had Pipo gedood; die kennis uitwissen zou haar ouders voor de tweede maal doodmaken, zou doodmaken wat ze voor haar hadden achtergelaten. Ze kon het niet bewaren, ze kon het niet vernietigen. Ze was omringd door muren waar ze niet overheen kon klimmen en die steeds dichter naar elkaar toe kwamen en haar langzaam dreigden te verpletteren.

Novinha deed het enige dat ze kon doen. Ze voorzag de archiefstukken van elke mogelijke bescherming en elke mogelijke geheime toegangscode die ze kende. Zolang zij leefde zou niemand anders dan zij ze ooit te zien krijgen. Pas als ze stierf, zou de xenobioloog die haar opvolgde kunnen zien wat zij daarachter had verborgen. Met één uitzondering: als ze trouwde zou haar echtgenoot ook toegang tot haar archief hebben als hij de noodzaak om de inhoud daarvan te kennen kon aantonen. Nu, dan zou ze nooit trouwen. Zo makkelijk was dat.

Ze zag haar toekomst al voor zich, saai en ondraaglijk en onvermijdelijk. Ze durfde niet te sterven en toch zou ze nauwelijks leven; ze zou niet kunnen trouwen, zou zelfs zelf niet over het onderwerp kunnen nadenken uit angst dat ze per ongeluk het dodelijke geheim zou ontdekken en het ongewild zou laten uitlekken. Altijd alleen, altijd gebukt onder een zware last, altijd schuldig, verlangend naar de dood, maar niet in staat om die te versnellen. Toch zou ze één troost hebben: niemand anders zou ooit nog door haar schuld omkomen. Haar schuld zou niet groter worden dan hij nu was.

Op dat ogenblik van verbeten, vastberaden wanhoop herinnerde ze zich De zwermkoningin en de hegemoon, herinnerde ze zich de Spreker voor de Doden. Ook al lag de oorspronkelijke schrijver, de oorspronkelijke Spreker, vast al duizenden jaren in zijn graf, er waren vele andere Sprekers op allerlei werelden, die mensen die geen god erkenden en toch in de waarde van mensenlevens geloofden als priester dienden. Sprekers wier taak het was om de ware oorzaken en beweegredenen van wat mensen deden op te sporen en na hun dood de waarheid over hun leven te verkondigen. In deze Braziliaanse kolonie waren er priesters in plaats van Sprekers, maar de priesters konden haar geen troost bieden; zij zou een Spreker hierheen halen.

Ze had het nooit eerder beseft, maar dit was ze eigenlijk al haar hele leven van plan, af vanaf het moment dat ze De zwermkoningin en de hegemoon voor het eerst las en erdoor gegrepen werd. Ze had er zelfs van alles over opgezocht zodat ze de wet goed kende. Dit was een kolonie met een Roomse Vergunning, maar het Gesterntereglement stond elke burger toe om een beroep te doen op elke willekeurige priester van elk willekeurig geloof, en de Sprekers voor de Doden werden als priesters beschouwd. Ze kon een oproep doen en als er een Spreker zou besluiten te komen, kon de kolonie niet weigeren hem toe te laten.

Misschien zou er geen Spreker willen komen. Misschien was er geeneen nabij genoeg om nog te arriveren voor haar leven ten einde was. Maar er bestond een kans dat er een dichtbij genoeg was om op een gegeven moment — over twintig, dertig of veertig jaar — van de sterhaven hierheen te komen en te beginnen met het blootleggen van de waarheid omtrent Pipo’s leven en dood. En misschien, als hij de waarheid vond en die verkondigde met de heldere stem die haar zo aantrok in De zwermkoningin en de hegemoon, misschien zou dat haar dan bevrijden van het schuldgevoel dat haar verteerde.

Haar oproep ging de computer in; die zou per weerwort de Sprekers op de meest nabije werelden op de hoogte stellen. Kom alsjeblieft, zei ze in stilte tegen de onbekende ontvanger van de oproep. Ook al moet je aan iedereen de waarheid van mijn schuld onthullen. Kom zelfs dan.

Ze werd wakker met een doffe pijn onder in haar rug en een zwaar gevoel in haar gezicht. Haar wang drukte tegen de doorzichtige dekplaat van haar werkstation, dat zichzelf had uitgeschakeld om haar te beschermen tegen de lasers. Maar het was niet de pijn die haar gewekt had. Het was een zachte aanraking van haar schouder. Even dacht ze dat het de hand van de Spreker voor de Doden was die nu al haar oproep kwam beantwoorden.

‘Novinha,’ fluisterde hij. Niet de Falante pelos Mortos, maar iemand anders. Iemand van wie zij had gedacht dat hij gisteravond in de storm der gebeurtenissen verloren was gegaan.

‘Libo,’ mompelde ze. Toen begon ze op te staan. Veel te snel — haar rug verkrampte en haar hoofd duizelde. Ze slaakte een zachte kreet en zijn handen hielden haar schouders vast zodat ze niet zou vallen.

‘Gaat het weer?’

Ze voelde zijn adem als het briesje van een geliefde tuin en ze voelde zich veilig, voelde zich thuis. ‘Je bent me komen zoeken.’

‘Novinha, ik ben gekomen zodra ik kon. Moeder is eindelijk in slaap gevallen. Pipinho, mijn oudste broer, is nu bij haar en de scheidsrechter heeft de zaak in de hand en ik—’

‘Je had moeten weten dat ik voor mezelf kan zorgen,’ zei ze.

Het bleef een ogenblik stil en toen klonk zijn stem opnieuw, boos dit keer, boos en wanhopig en oneindig vermoeid, vermoeid als de ouderdom en de entropie en de dood van de sterren. ‘Zowaar God me ziet, Ivanova, ik ben niet teruggekomen om voor jóu te zorgen.’

Er klapte iets in haar dicht; ze had de hoop niet opgemerkt tot ze voelde dat ze hem verloren had.

‘Jij vertelde me dat vader iets ontdekte in een simulatie van jou. Dat hij verwachtte dat ik het zelfstandig ook wel zou kunnen zien. Ik dacht dat je de simulatie boven het werkstation had laten staan, maar toen ik naar de post terugging, was hij uitgeschakeld.’

‘O ja?’

‘Je weet donders goed dat hij uit was, Nova, niemand anders dan jij kon het programma stoppen. Ik moet het zien.’

‘Waarom?’

Hij keek haar vol ongeloof aan. ‘Ik weet dat je slaperig bent, Novinha, maar je hebt je toch wel gerealiseerd dat de zwijntjes vader gedood hebben om wat hij in jouw simulatie ontdekte.’

Ze keek hem strak en zwijgend aan. Hij had die kille, vastberaden blik van haar wel vaker gezien.

‘Waarom wil je mij die simulatie niet laten zien? Ik ben nu de zenador, ik heb het recht om het te weten.’